FHR-rector Hans Lim A Po (midden) samen met de afgestudeerden.
De verwachte ontwikkeling van de olie- en gasvoorraden voor de kust van Suriname vraagt niet alleen om aandacht voor de economische voordelen, maar ook om een verandering in de manier waarop hogeropgeleide Surinamers naar hun verantwoordelijkheid tegenover land en samenleving kijken. FHR-rector Hans Lim A Po pleit voor het loslaten van een postkoloniale denkwijze en de ontwikkeling van een moderne, mondiale visie waarin inclusie, gelijkheid en duurzaamheid centraal staan.

Lim A Po deed die oproep onlangs tijdens de Grand Graduation 2026 van het FHR Institute for Higher Education, die in de Royal Torarica Ballroom werd gehouden. De ceremonie stond in het teken van het thema Moving into the Future: How Education Contributes to Global Citizenship. Voor het eerst heeft het FHR Institute for Higher Education een lichting studenten van de Master in Business Law afgeleverd. Zestien studenten hebben de opleiding afgerond, waarmee volgens het instituut een nieuwe stap is gezet in de verdere ontwikkeling van juridisch hoger onderwijs in Suriname. De Master in Business Law wordt door FHR in samenwerking met Maastricht University verzorgd

Volgens de rector zijn de verwachtingen in Suriname rond de toekomstige olie- en gasontwikkeling begrijpelijkerwijs vooral gericht op de economische voordelen. Daartegenover staat volgens hem een groeiend besef dat deze ontwikkeling ook ernstige risico's met zich meebrengt die door het politieke leiderschap zullen moeten worden beheerst.

Juist hogeropgeleiden hebben volgens Lim A Po daarbij een bijzondere verantwoordelijkheid. Hij riep de afgestudeerden op een postkoloniale denkwijze, waarin volgens hem nog sporen voorkomen van maatschappelijke afhankelijkheid, gebrekkige normen van zelfbestuur en een extractieve economische cultuur, achter zich te laten. Daarvoor moet een moderne, mondiale denkwijze in de plaats komen, gericht op inclusie, gelijkheid en duurzaamheid.

Mondiaal denken, lokaal handelen
Lim A Po plaatste zijn boodschap in het bredere concept van wereldburgerschap. Daarbij verwees hij naar de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum, die stelt dat studenten niet alleen moeten worden voorbereid op burgerschap binnen hun eigen land of gemeenschap, maar ook op deelname aan een steeds sterker verbonden en onderling afhankelijke wereld.

Volgens Lim A Po hoeven nationaal burgerschap en wereldburgerschap elkaar niet uit te sluiten. Hij beschreef ze als elkaar versterkende kaders: het nationale burgerschap biedt het juridische kader om te handelen, terwijl wereldburgerschap een bredere ethische richting aan dat handelen geeft. Een van de belangrijkste uitdagingen is volgens hem om mondiaal te denken en lokaal te handelen. Grote vraagstukken rond rechtvaardigheid, klimaat, duurzaamheid en de toekomst van de planeet moeten uiteindelijk worden vertaald naar concrete keuzes binnen de eigen samenleving.

Dat is niet eenvoudig. Lokale maatregelen kunnen te beperkt zijn om mondiale problemen wezenlijk te beïnvloeden, terwijl lokale beslissingen tegelijkertijd gevolgen kunnen hebben die veel verder reiken dan de eigen samenleving.

Verdeeldheid overstijgen
Wereldburgerschap biedt volgens Lim A Po ook mogelijkheden om wat hij een “politiek van verschillen” noemt te overstijgen. Daarmee doelt hij op maatschappelijke verdeeldheid langs etnische, raciale, religieuze en andere scheidslijnen. Een mondiale denkwijze vereist volgens hem openheid voor andere ideeën en opvattingen en waarden als empathie, respect voor diversiteit en samenwerking over grenzen heen. 

Tegelijk waarschuwde de rector dat wereldburgerschap niet slechts een houding mag zijn die wordt aangenomen om erkenning van anderen te krijgen. Het moet volgens de rector voortkomen uit persoonlijke overtuiging en een oprechte bereidheid verantwoordelijkheid te dragen.

Jongeren en activisme
Lim A Po stond ook stil bij het toenemende activisme van jongeren. Hij signaleert sinds het begin van deze eeuw een groeiende tendens waarbij vooral Generatie Z zich via vreedzame protestbewegingen uitspreekt tegen sociaaleconomische problemen, ongelijkheid, nepotisme en corruptie.

Waar gevestigde structuren dergelijke bewegingen soms als een bedreiging voor bestaande normen beschouwen, kan het activisme volgens hem ook worden gezien als een reactie op institutionele en bestuurlijke tekortkomingen bij het naleven van mondiale waarden. Daar ligt volgens de rector eveneens een opdracht voor universiteiten en andere instellingen voor hoger onderwijs. Wereldburgerschap zou een plaats moeten krijgen in curricula, zodat studenten niet alleen vakinhoudelijke kennis verwerven, maar ook leren kritisch na te denken over hun eigen keuzes, leiderschap en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Lim A Po sloot zijn boodschap aan de afgestudeerden af met de woorden van Thomas Paine uit 1792: “Mijn land is de wereld, en mijn religie is het goede te doen.” Hij sprak de hoop uit dat dit voor de nieuwe FHR-alumni een leidend beginsel zal worden.