Op 20 november 2021 werd Carlo Jadnanansing gedecoreerd door de toenmalige President
van de Republiek Suriname Chan Santokhi als Commandeur in de Ere-ore van de Gele ster
op grond van bijzondere maatschappelijke en wetenschappelijke prestaties.
jātasya hi dhruvo mṛtyur
dhruvaṁ janma mṛtasya ca
tasmād aparihārye 'rthe
na tvaṁ śocitum arhasi
Bhagavad Gita (hoofdstuk 2 vers 27):
Zeker is de dood voor de geborenen,
maar eveneens zeker is de wedergeboorte voor de gestorvenen. 
Daarom zoudt gij over het onvermijdelijke niet moeten treuren. 


In 1982, kort voor de Decembermoorden, zat ik als jong notaris in de wachtkamer van het SLM-gebouw te Zorg en Hoop te wachten op de vlucht naar Nickerie. Plotseling ontstond er een opstootje: mensen sprongen op en sommigen namen zelfs een militaire houding aan.
De reden was de onverwachte komst van Roy Horb, garnizoenscommandant van het Nationaal Leger en tweede man van de Nationale Militaire Raad. Opvallend was dat één jongeman rustig bleef zitten: een politieman zonder onderscheidingstekens, die de indruk wekte van een aspirant.

Horb sprak hem furieus aan: “Rekruut, weet je niet dat je voor mij moet opstaan en salueren?” De aangesprokene vroeg kalm wie Horb was, aangezien hij hem niet kende. Toen Horb zich bekendmaakte, antwoordde de politieman dat hij aspirant-officier aan de politieacademie te Apeldoorn was en pas in Suriname was voor stage.

Horb reageerde gebiedend: “Nu ken je mij. De volgende keer moet je voor mij in de houding staan.” De jongeman antwoordde rustig: “Commandant Horb, dat zullen we de volgende keer zien.” Horb was woedend en leek zijn pistool te willen trekken, maar deed dit niet en blies de aftocht. De volgende keer kwam nooit, daar Horb zich op 2-2-1983 in zijn cel verhangen zou hebben aan het koord van zijn sportbroek!

Chan Santokhi toen commissaris van politie en lid van de Rotary ontvangt begin jaren 90 tezamen met andere Rotarians een award van de Rotary voor bijzondere prestaties.

Pas later begreep ik dat de onbevreesde aspirant niemand minder was dan Chan Santokhi, die zich in de toekomst zou ontwikkelen tot een markante leider van Suriname.

Jaren later ontmoette ik hem opnieuw, inmiddels als hoge politieofficier en lid van de Rotary, waar ik eveneens toe behoorde. Toen ik hem het voorval vertelde, was hij verrast dat ik er getuige van geweest was. Vanaf dat moment groeide een vriendschap, waardoor ik hem in deze bijdrage met “Chan” zal aanduiden, zij het met respect. Ik beperk mij in deze necrologie tot enkele hoogtepunten uit zijn indrukwekkende loopbaan. 

In 2005 werd hem namens de Vooruitstrevende Hervormingspartij (VHP) de functie van minister van Justitie en Politie aangeboden in het kabinet van Ronald Venetiaan. Op dat moment bekleedde hij de rang van commissaris van politie.
Als minister voerde hij een “no-nonsense”-beleid. Hij bond onder meer de strijd aan met de drugshandel en legde sterk de nadruk op naleving van wet en recht binnen democratische kaders. Zijn optreden leverde hem de bijnaam “sheriff” op, volgens sommigen spottend geïntroduceerd door Desi Bouterse.

Zijn technocratisch beleid ondervond vrijwel algemene instemming. Het is in de Surinaamse historie niet eerder voorgekomen dat een minister vrijwel alle begrote gelden daadwerkelijk op correcte wijze heeft gebruikt. Chan demonstreerde hiermee zijn organisatorische en leidinggevende kwaliteiten. Onder zijn bewind werd Suriname geschrapt van de Amerikaanse lijst van doorvoerlanden voor drugs.
Reeds als politiecommissaris leidde Santokhi vanaf 2000 het onderzoek naar de Decembermoorden. Als minister zette hij zich krachtig in om het strafproces op gang te brengen. Hij kan worden gezien als de drijvende kracht achter het zogenoemde  8 decemberproces en liet daarvoor een beveiligde rechtszaal bouwen in Boxel, Domburg. Ook sprak hij zich herhaaldelijk uit tegen de in 2012 aangenomen Amnestiewet.

Een belangrijk moment tijdens zijn ministerschap was zijn rol bij de uitlevering van de Guyanese drugsbaron Roger Khan aan de Verenigde Staten. Deze beslissing leidde tot spanningen met Guyana, maar onderstreepte zijn vastberadenheid in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit.

Ondanks de beschuldigingen aan het adres van Bouterse wist laatstgenoemde in 2010 de verkiezingen te winnen en tot 2020 te regeren. In die periode bevond Santokhi zich met de VHP in de oppositie. In 2020 slaagde hij er echter in om, gesteund door een coalitie, het presidentschap te verwerven.

Hij erfde een ontwrichte economie en trachtte deze te herstellen, mede met steun van het IMF. Tegelijkertijd werd hij geconfronteerd met de COVID-19-pandemie, die het herstel bemoeilijkte. Hoewel hij ambitieuze plannen had, kon hij deze niet volledig realiseren. Ook klonk er kritiek op de mate van transparantie van zijn beleid, een verschil met de brede waardering die hij als minister genoot.

Toch oogstte hij nationaal en internationaal respect voor zijn inzet voor de rechtsstaat en zijn pogingen om de economie en samenleving te stabiliseren. Zijn hoop op een tweede ambtstermijn werd niet vervuld, hoewel hij zelf overtuigd bleef van een politieke comeback. Daarbij verwees hij naar het recordaantal stemmen dat hij had behaald.

Tot zijn belangrijkste verdiensten kunnen zijn bijdrage aan het behoud van de rechtsstaat en zijn rol in het transformeren van de VHP tot een multi-etnische partij gerekend worden. De verkiezingsresultaten van 2020 en 2025 tonen aan dat zijn partij steun wist te verwerven uit alle lagen van de Surinaamse samenleving.

Chan was een spiritueel mens. Hoewel hij overtuigd hindoe was, had hij respect voor alle religies. Hij liet zich inspireren door een mantra uit de Rig Veda: “Ekam Sat Vipra Bahudha Vadanti” (het werkelijke is één, maar de wijzen noemen het met verschillende namen of religieus gezegd: Er is maar één God, de wijzen noemen hem/haar met verschillende namen). Deze visie bracht hij in praktijk door actief deel te nemen aan religieuze bijeenkomsten van diverse geloofsgemeenschappen.

Op 21 maart jl. ontmoette ik hem voor het laatst, in goede gezondheid, tijdens een religieuze verjaardagsdienst (jagya). We nuttigden een vegetarische maaltijd. Naast hem zat een meisje van ongeveer elf jaar, dat hij voorstelde als zijn kleindochter. Toen ik opmerkte dat zij een intelligente indruk maakte, antwoordde hij: “Dit is de toekomst van Suriname. Daar zijn al mijn inspanningen op gericht.”

Chanji,
áp ki átmá ko shánti mile

(Dat eeuwige vrede uw ziel ten deel moge vallen).

Carlo Jadnanansing