Het Openbaar Ministerie (OM) hanteert in de eerste invoeringsfase van de Verplichte Verklaring van Inkomen en Vermogen (VIV) een hersteltermijn van zes maanden voor publieke functionarissen die niet tijdig aan hun indieningsplicht hebben voldaan. Dat blijkt uit een richtlijn van procureur-generaal (pg) Garcia Paragsingh. De richtlijn vervalt van rechtswege op 15 augustus 2026, tenzij deze eerder wordt gewijzigd of ingetrokken.

De richtlijn geeft aan hoe het OM omgaat met gevallen waarin functionarissen de VIV niet (tijdig) hebben ingediend, zoals voorgeschreven in de Anti-Corruptiewet en het Staatsbesluit van 5 september 2023. Het juridisch uitgangspunt blijft ongewijzigd: het niet naleven van de verplichting is strafbaar op grond van artikel 17 lid 1 van de Anti-Corruptiewet. De richtlijn vormt geen wetswijziging of vrijstelling, maar een beleidsmatige invulling van het vervolgingsbeleid in deze eerste fase.

Gefaseerde aanpak
Wanneer een publieke functionaris de wettelijke termijn heeft overschreden, wordt in beginsel eerst een formele waarschuwing verzonden. Daarbij wordt gewezen op de wettelijke verplichting, de strafbaarstelling en de mogelijkheid om alsnog binnen zes maanden te voldoen aan de verplichting.

Gedurende deze herstelperiode monitort de Anti-Corruptie Commissie of alsnog wordt voldaan aan de indieningsplicht. Indien de betrokkene binnen deze termijn alsnog indient, kan verdere strafrechtelijke behandeling achterwege blijven.

Blijft naleving na zes maanden uit, dan beoordeelt het OM de zaak inhoudelijk. Mogelijke vervolgstappen zijn onder meer strafrechtelijk onderzoek, sepot, voorwaardelijk sepot of vervolging.

Geen ruimte bij opzet of fraude

De hersteltermijn geldt niet in gevallen waarin sprake is van expliciete weigering, herhaald negeren van waarschuwingen, het bewust frustreren van toezicht of misleiding en vervalsing. In dergelijke situaties kan het OM direct overgaan tot verdere behandeling van de zaak.

De richtlijn geldt voor een periode van zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding en wordt na afloop geëvalueerd. Daarbij wordt gekeken naar nalevingspercentages, bevindingen van de Anti-Corruptie Commissie, ervaringen van notarissen en maatschappelijke effecten.