Iedere Surinamer kent het moment. Je staat bij Binnenlandse Zaken voor een uittreksel. Of bij Justitie voor een verklaring. Je betaalt een klein bedrag, wacht lang en vraagt je af: hoe kan dit genoeg zijn om zo’n kantoor draaiende te houden? Het eerlijke antwoord is eenvoudig: dat is het niet. En toch gebeurt dit elke dag, bij bijna alle ministeries.

In Suriname doen we alsof ministeries uitsluitend geld kosten. Alsof het normaal is dat de staat jaarlijks met begrotingstekorten kampt, terwijl duizenden burgers en bedrijven dagelijks gebruikmaken van overheidsdiensten met duidelijke economische waarde. Dat is geen armoedeprobleem, maar een structureel organisatieprobleem.

Bij Binnenlandse Zaken worden uittreksels, nationaliteitsverklaringen en legalisaties afgegeven. Deze documenten zijn onmisbaar voor werk, bankzaken en gebruik in het buitenland. Ze hebben waarde. Toch zijn de tarieven zo laag dat ze nauwelijks de kosten dekken. Met marktconforme prijzen – en vrijstelling voor mensen die het echt niet kunnen betalen – zou dit ministerie een groot deel van zijn eigen begroting kunnen financieren.

Hetzelfde beeld zien we bij Justitie en Politie. Boetes worden geïnd, rijbewijzen en vergunningen verstrekt en spoedprocedures aangeboden. In veel landen betaal je extra voor snelheid en zekerheid. In Suriname zijn de bedragen laag, de processen traag en het systeem kwetsbaar voor informele betalingen. Dat nodigt niet uit tot efficiëntie, maar tot frustratie en wantrouwen.

Dit patroon herhaalt zich bij vrijwel alle ministeries:
Economische Zaken verstrekt vergunningen.
Landbouw geeft exportcertificaten af.
Volksgezondheid verleent zorglicenties.
Transport, Communicatie en Toerisme regelt routes, frequenties en bouwvergunningen.
Buitenlandse Zaken verzorgt PSA-pasjes en consulaire diensten.

Deze diensten bestaan al. De ambtenaren zijn er al. De gebouwen staan er al. Wat ontbreekt, is een eerlijke, marktconforme prijsstelling.
Het uitgangspunt is simpel en logisch: wie een overheidsdienst nodig heeft met economische waarde, betaalt daarvoor een realistisch bedrag. Bedrijven betalen meer dan particulieren. Spoed en extra service kosten meer. Basisdiensten blijven betaalbaar. Kwetsbare groepen krijgen vrijstelling.

Zo werkt het in veel landen en zo kan het ook in Suriname. Als dit beleid stap voor stap en zorgvuldig wordt ingevoerd – zonder nieuwe belastingen en zonder chaos – kan Suriname volgens voorzichtige schattingen 3 tot 4 miljard SRD per jaar extra genereren. Niet door het volk zwaarder te belasten, maar door beter te organiseren wat al bestaat. Dat geld kan worden ingezet voor salarissen, onderhoud, digitalisering en betere dienstverlening.

Misschien nog belangrijker is het effect op bestuur en discipline. Ministeries worden eindelijk verantwoordelijk voor hun eigen functioneren. Wie efficiënt werkt, genereert meer inkomsten. Wie blijft hangen in traagheid en inefficiëntie, voelt dat direct in de eigen begroting. Zo ontstaat een prikkel tot verbetering – niet door toespraken, maar door financiële realiteit.

Veel mensen hopen dat olie straks alle problemen oplost. Maar een overheid die vandaag geen orde kan houden bij uittreksels en vergunningen, zal morgen ook moeite hebben met miljarden aan olie-inkomsten. Rijkdom zonder structuur is geen zegen, maar een risico.

Suriname hoeft niet te wachten op olie om sterker te worden. Het geld is er al. We moeten het alleen eerlijk innen, transparant beheren en logisch inzetten.

Aan de regering en De Nationale Assemblée is de boodschap helder:
Stop met het jaarlijks uitschrijven van blanco cheques aan ministeries zonder resultaatverplichting. Pas bestaande tarieven marktconform aan, laat ministeries hun eigen begroting verdienen en toets hun prestaties. Wie vandaag deze verantwoordelijkheid niet durft te nemen, heeft morgen geen enkel moreel gezag om over miljarden aan olie-inkomsten te beslissen.

Clayton Hiwat