Column: Sparen en budgetteren
13 Apr, 00:59
foto
Hans Breeveld


Wat een consternatie vanwege de bigi bombari verkoopactie op het terrein van de VHP.  Dagenlang kozen burgers ervoor hun kostbare tijd te gebruiken om te discuteren over de vraag of politieke partijen pakketten - met enkele basisgoederen daarin - moeten verkopen dan wel gratis verstrekken? Zelf heb ik mij niet zo lang met dit vraagstuk bezig gehouden. Een van de wijze lessen van mijn moeder verbood mij dat te doen.

Toen ik mijn eerste salaris als onderwijzer ontving gaf ik een deel daarvan aan mijn vader en moeder. Mijn vader bedankte daarvoor. Mijn moeder bedankte niet alleen, maar gaf – zoals gebruikelijk – ook een les mee. “Mi boy” zei ze “alaleysi te yu e kisi moni, kribi pikinso. Efu yu kisi wan golu kibri tin sensi”.
Het overbekende boek van Stephen Covey over eigenschappen van leiderschap had mijn moeder niet gelezen. Het woord proactief heb ik haar nooit horen gebruiken. Ze leerde mij wel de odo: Dringi dresi, wakti siki, terwijl ze graag en vaak verwees naar het verhaal uit de Bijbel van de 5 wijze en 5 dwaze maagden.

Die les van mijn moeder om 10% van mijn verdiensten te sparen, heb ik nauwgezet opgevolgd; soms spaarde ik zelfs 25%. Er waren tijden dat ik geld meer als spaar- dan als betaalmiddel zag. Windeieren heeft deze zienswijze me niet opgeleverd, met uitzondering van de jaren tachtig van de vorige eeuw en de periode tussen 2010 en 2020, toen opeenvolgende regeringen spaarders onaangenaam waren vanwege verkwistend en verspillend beleid.
Vanwege het advies van mijn moeder klonk het mij steeds vreemd in de oren als mensen het hadden over: A mun de na tapu tu cijfer, wat ongeveer betekent, het is rond midden in de maand en dus ben ik skeer. Ik ben nooit miljonair geworden - met uitzondering van die jaren tachtig van de vorige eeuw toen het Surinaamse geld – door slecht beleid – enorm was gedevalueerd.

In 1991 schonk mijn broer Carl mij het boek Kredo. Een boek waarin de Nederlandse missionaris en volkenkundige Paul Brenneker, zijn citaten had vastgelegd. De pater, die van de 84 jaren die de Here hem schonk, 57 jaar in de Nederlandse Antillen doorbracht, had als levensmotto: Een prediker moet mensen laten denken. Het 40e citaat uit dat boek sprak mij zeer aan: Tot de naastenliefde behoort ook sparen om een ander niet lastig te vallen.

Het lijkt mij dat men alvorens te klagen over het niet uitkomen met het salaris eerst moet nagaan hoe de besteding ervan is geweest. Worden de uitgaven afgestemd op wat men verdient of is men een van de deelnemers aan de zo populaire strey-libi. At the end of the day gaat het om het stellen van de juiste prioriteiten.
Het is goed dat er organisaties zijn die zich inspannen om mensen met financiële problemen bij te staan, maar daarbij zal steeds moeten worden nagegaan waarom mensen in hun financiële problemen terecht zijn gekomen. Niemand ter wereld kan immers een bodemloos vat vullen.

Lang voor ik de verzameling citaten van pater Brenneker had gelezen, werd ik op de Vrije Universiteit vertrouwd gemaakt met de sociale leer van de Katholieke kerk. Daar bestudeerden wij encyclieken die een enorme stoot gegeven hebben aan de ontwikkeling van de Christendemocratie. Twee encyclieken die mij zeer aanspraken waren: Rerum Novarum en Quadragesimo Anno.

Rerum Novarum (letterlijk: “Over nieuwe dingen”) die in 1891 uitgesproken werd door paus Leo XIII was de start van de sociale leer van de Katholieke kerk. De geestelijke vroeg hierin speciale aandacht voor de situatie van de arbeidersklasse.
Maar de meeste indruk werd op mij gemaakt door de encycliek Quadragesimo Anno (40 jaar na Rerum Novarum). Paus Pius XI presenteerde deze encycliek in 1931 aan de wereld. Hierin introduceerde hij het begrip subsidiariteitsbeginsel. Hiermee werd bedoeld dat: hogere organen slechts taken op zich mogen nemen die lagere organen niet uit zichzelf tot stand kunnen brengen. Deze zienswijze heeft veel raakvlakken met wat in de Protestantse wereld soevereiniteit in eigen kring werd genoemd.

Op grond van deze leer zouden gezonden volwassen mensen de uiterste verantwoordelijkheid op zich moeten nemen voor hun wel en wee, en niet a priori wachten op externe hulp. Burgers moet geleerd worden de tering naar de nering te zetten, na het verdienen van een eerlijk loon.

Het vastgestelde minimum uurloon moet dan ook tot tevredenheid van alle partijen zijn. Mocht men er nu niet uitkomen dan moeten er deugdelijke argumenten aandragen waarom er bijvoorbeeld tijdelijk afgeweken wordt van wat het minimum uurloon behoort te zijn en wanneer daar verder over gedelibereerd zal worden. Van de overheid wordt verwacht dat ze de condities (helpt) scheppen voor het creëren van werk. Dat de overheid en stakeholders erop toezien dat werkers een eerlijk loon verdienen. Van de werkers wordt verwacht dat ze verstandig omspringen met het loon dat ze ontvangen. Uiteindelijk moeten we komen tot de autonome proactief denkende en verstandig consumerende burger.

Hans Breeveld

Advertenties

Wednesday 17 August
Tuesday 16 August
Monday 15 August