Het Surinaamse experiment
21 Feb, 15:57
foto


Ingezonden

De historische poging om op dit grondgebied een menselijke samenleving duurzaam vorm te geven begon 10.000 voor Christus. Tot de 15e eeuw, toen de Spaanse conquistador Alonso de Ojeda hier voet aan wal zette, behoorde de geschiedenis aan de Inheemsen. De morele bakermat van het Surinaamse experiment ligt in die geschiedenis. De Inheemse samenlevingen leefden van jacht, vissen, verzamelen van eetbare planten en later van zelfvoorzienende landbouw. Hoewel niet vrij van tribale conflicten, kenmerkten de gemeenschappen zich door egalitaire samenwerking en wederkerig altruïsme. Zonder kapitaal had ieder de andere nodig. Hun communale zelfregulatie maakte een staat overbodig.

De Inheemse geschiedenis leerde ons niet alleen dat egalitarisme en altruïsme in de menselijke natuur liggen, maar ook dat het werkzame beginselen van veerkracht,  gemeenschapszin en sociale rechtvaardigheid zijn. De non-exploitieve verhoudingen met niet zelfverrijking, maar directe collectieve, menselijke behoeften als oogmerk, brachten een ander groot voordeel met zich mee: conservatie van het regenwoud, van de biodiversiteit, de schone lucht en de waterkwaliteit van de kreken en rivieren. Aan de Inheemse beschavingen is het Surinaamse experiment in hoge mate schatplichtig.

Koloniale stratificatie
De witte koloniale overheersers zetten de Inheemse condition humaine weg als 'primitief'. Die minachting was onderdeel van het racisme en het witte superioriteitsdenken waarvan de koloniale stratificatie – de etno-sociale hiërarchie van de uitbuiting  – was doordrongen. De koloniale overmacht in termen van informatie, techniek en repressieve organisatie ging gepaard met een ethisch inferieure maatschappelijke organisatie.

Op het curriculum vitae van het koloniale regime prijkten de ontmenselijking van de slavernij, de poenale sanctie van de contractarbeid, de rechteloosheid van de loonarbeid en de uitsluiting van Surinamers van politiek, bestuur en recht.

Partijpolitieke emancipatie
De koloniale stratificatie doordrong het Surinaamse experiment van de splijtzwammen sociale ongelijkheid en etnocentrisme. Raciale verdeel- en heerspolitiek, ongelijke toegang tot grondbezit, financiering, onderwijs, openbaar bestuur en recht, baarde sociale ongelijkheid, veelal ook met een etnisch gezicht. Groeiende verschillen in sociaal-economische status en politieke invloed tussen en binnen de verschillende bevolkingsgroepen waren daarvan het gevolg. Noch etno-meritocratische zelfadolatie, noch etnocentrische intolerantie bieden ons een uitweg uit de psychologie van de koloniale stratificatie. 

Door de eeuwen heen hebben de Surinamers in de binnenlanden, op de plantages en in de stad strijd geleverd voor een menswaardig bestaan en sociale emancipatie. Met het verwerven van autonomie en algemeen kiesrecht kreeg de emancipatoire drang vorm in politieke partijen die voornamelijk langs etnische lijnen werden georganiseerd. De verbrede politieke participatie bevorderde ongetwijfeld voor steeds meer groepen de sociale vooruitgang en representatie.

Echter, doordat de sociaal kwetsbare, afhankelijke achterban na de verkiezingen moest worden geaccommodeerd, vaak ongeacht de competenties, zagen we afhankelijk van de etnische identiteit van de winnende partij een disproportionele influx van de betreffende etnische groep in de overheidsorganisatie. Dat was geen haatdragend racisme, maar het historisch gegroeide gezicht van partijpolitieke emancipatie, geschoeid op etnische leest, al dan niet gelardeerd met cosmetische multi-etniciteit. Deze wijze van politiekvoering had een overbemenste en ondergekwalificeerde overheid tot gevolg, die teveel koste en ondermaats leverde.

Partijpolitieke patronage stond haaks op de beginselen van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en deugdelijk bestuur. Deze context maakten overheid en samenleving kwetsbaar voor putschisme, dictatuur en allesomvattende corruptie die land en volk ‘revolutionair’ verarmden en terugwierpen in de tijd.  De mensenrechtenschenders en corruptelingen, zeker als ze door rechtsvervolging in het nauw zijn gedreven, varen wel bij raciale polarisatie. Racisme wijzigt de politieke agenda.

Rechtsstatelijke emancipatie
‘Public sentiment is everything’ riep Abraham Lincoln uit. Racistische haatzaaierij moet niet lankmoedig, maar energiek en doortastend tegemoet worden getreden. De tijd lijkt rijp voor vervanging van het concept van partijpolitieke emancipatie door dat van de rechtsstatelijke emancipatie. Wanneer niet de democratie, maar de rechtsstaat leidend is inzake gelijkberechtiging en sociale emancipatie, zijn ook de rechten en belangen van de numeriek zwakkere groepen, zoals de Inheemsen, beter gewaarborgd.

Rechtsstatelijke emancipatie vraagt passende, geactualiseerde  anti-discriminatie wet- en regelgeving, grondenrechten, milieurechten en arbeidsrechten, en institutionele versterking van de rechtshandhaving, ook als het gaat om sociale media. De trend in de democratische wereld is dat de platforms die racisme en haat helpen verbreiden daarvoor rekenschap moeten afleggen en correctieve actie moeten ondernemen.

Verder is nodig een DNA breed gedragen, wettelijk en institutioneel gewaarborgd, wetenschappelijk onderbouwd en gemonitoord, nationaal beleid voor sociale rechtvaardigheid en gelijkwaardige representatie en participatie. Via het onderwijs moeten de nieuwe generaties worden opgevoed in menselijke waardigheid, mensenrechten en (sociale) rechtvaardigheid. Het Surinaamse experiment is dringend toe aan renovatie. De geest van de koloniale stratificatie moet worden vervangen door die van de humanisering.

Henry Does
Sociaal geneeskundige en publicist