Antwoord aan de heer Viren Ajodhia
02 Jul, 04:22
foto


De discussie moet niet zo snel als afgesloten worden beschouwd, omdat een warrig stuk van, Van der San, blijkbaar toch wel om nader uitleg vraagt. Het artikel over eventuele gebruikmaking van een bepaling in de Grondwet over gratie, met name artikel 109 onder Hoofdstuk XII de Tweede Afdeling 'Bevoegdheden van de President', is mij meer dan bekend.
Het relaas en het doel van de keuze voor gebruikmaking van deze bepaling in het kader van het 8 decemberproces is door mij uitgerafeld. Vandaar kennelijk die agressieve reactie om de discussie bij het begin te willen afsluiten.

Wat is er aan de orde? Er is een proces gaande dat zowel nationaal als internationaal bekendheid geniet, waarbij Desi Bouterse als gewezen legerleiding 35 jaren terug betrokken is geweest. Hierbij wordt hij beschuldigd van medeplegen van een misdrijf. 

Na deze 35 jaren staat deze zaak in een afrondende fase in de Republiek Suriname. Inmiddels is deze militair, die in een bijzondere turbulente periode tussen 1980 tot zeker 1992 actief betrokken is geweest in het openbaar bestuur van het land, anno 2019 president van de Republiek Suriname.

Nu wordt een beschouwing weergegeven over een eventuele toepassing van de gratiebepaling waarvan Ajodhia beweert dat Van der San dat duidelijk niet heeft begrepen. Over de betekenis en toepassing van gratie denk ik dat weinigen mij iets bij zouden kunnen leren, vandaar dat in mijn benadering gratie geen optie is noch kan zijn in deze politiek gevoelige kwestie als het proces.

Omdat iedereen weet wat in de afgelopen bijkans 40 jaren in Suriname is gebeurd, en ik weet er alles van, vraag ik mij af wie Ajodhia denkt dat hij is om mij het recht te willen ontnemen mijn zienswijze kenbaar te maken t.o.v. een andere visie.
Naar de inzichten van deze juridische student zijn zowel gratie als de vigerende amnestiewet niet toereikend omdat zij in strijd zouden zijn met de rechtvaardigheid. Wat een onzin. Weet deze jongeman wat rechtvaardigheid is. U houdt van filosoferen, lees dan Socrates.

Er bestaat een amnestiewet en ik heb betoogd dat wanneer wij in het kader van dit strafproces van 8 december rechtsstatelijk denken en handelen, de vigerende amnestiewet bepalend is. Dit heb ik op grond van artikel 3 lid 1 onder A van de (Amnestiewet 1989) zoals gewijzigd in (2012 S.B. no. 49) gesteld.
Daarin staat: “indien personen veroordeeld zijn tot straf, de bevoegdheid tot uitvoering van die straf vervalt en, voor zover zij zich tot uitvoering van die straf in detentie bevinden, het openbaar ministerie, of de rechter die de straf heeft opgelegd, de onmiddellijke invrijheidstelling zal bevelen.
Dit gebeurt dus, nadat de rechter uitspraak heeft gedaan en de belanghebbende geen gebruik maakt van zijn recht tot verzet, of beroep. Dat is de rechtsstatelijke toestand waarin wij in Suriname verkeren m.b.t. het proces van 8 december. Al dat gefilosofeer is mooi maar niet relevant.

Deze wet is niet door de huidige regering tot stand gebracht, dus het verhaal over zelfamnestie raakt kant noch wal. Jouw vader is mede uitvoerder geweest (minister Justitie en Politie) en het is reeds in Suriname toegepast. Deze wet is zodanig samengesteld door de toenmalige regering dat amnestie werd verleend vóór, tijdens en na het proces. Deze volgens jouw labiele wet  is tot stand gekomen zoals alle andere wetten.

Voor het overige nog een opmerking: een zittende regering kan en heeft de bevoegdheid om inderdaad een voorstel tot intrekking van een bestaande wet in te dienen. Echter is de vraag of de rechtsgevolgen daardoor ook ongedaan gemaakt zijn. De kwestie van verzoening is van een andere orde.

Ik hoop dat dhr. Viren Ajodhia zijn studie serieuzer zal oppakken.

Eugène van der San


Tuesday 21 January
Monday 20 January
Sunday 19 January