Denigrerende uitlatingen jegens een politiek leider
22 Dec 2015, 02:38
foto


In het Surinaams Juristen Blad (SJB) 2015 nummer 2 heeft de bekende Nederlandse oud-hoogleraar Prof.Mr. Dr. P.A. Stein een interessante noot (commentaar) geschreven naar aanleiding van het vonnis van de kantonrechter de dato 17 maart 2015 inzake Bouterse ca Santokhi.
De vraag die aan de orde komt is, hoe ver een politicus zonder vrees voor aansprakelijkstelling kan gaan met uitspraken over een politieke tegenstander.
Beledigende uitlatingen hebben een strafrechtelijke en een civielrechtelijke kant. Iemand die zich schuldig maakt aan het strafbare feit van belediging kan een gevangenisstraf of boete opgelegd krijgen. Hiervoor is nodig dat de beledigde partij een klacht indient bij het Openbaar Ministerie (O.M.), daar belediging tot de categorie ‘klachtdelicten’ behoort. De meeste strafbare feiten zijn ambtshalve vervolgbaar d.w.z. dat het O.M. zonder aangifte of klacht tot vervolging mag overgaan. Aangifte betekent het onder de aandacht van de bevoegde autoriteiten brengen dat een strafbaar feit gepleegd is, terwijl het indienen van een klacht noodzakelijk is voor de bevoegdheid van het O.M. om tot vervolging te mogen overgaan, bij de categorie van de zgn klachtdelicten.

In de praktijk komt een strafrechtelijke vervolging wegens belediging weinig voor. In de Surinaamse rechtsgeschiedenis is één van de bekende beledigingszaken, die tegen Grace Ruth Schneiders-Howard, die in 1912 veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van twee maanden.

De beledigde partij pleegt in het algemeen in kort geding al dan niet gepaard gaande met een boete en/of een eis tot schadevergoeding te vorderen dat de rechter de wederpartij veroordeelt om de gewraakte uitlatingen te rectificeren. Voor de toewijzing van de eis moet worden vastgesteld dat de gemaakte opmerkingen ten opzichte van de eiser, onrechtmatig zijn. Stein is van mening dat uit de (Nederlandse) rechtspraak blijkt dat een politicus ver kan gaan in het openbaren van zijn opvattingen. “De grenzen van toelaatbare kritiek op een openbaar bestuurder als publieke persoon zijn ruimer dan met betrekking tot een burger als private persoon”, aldus Stein. Dit betekent volgens laatstgenoemde dat een openbaar bestuurder zich heftiger kritiek moet laten welgevallen dan een burger. Het politieke debat behoeft volgens de auteur niet noodzakelijkerwijs in het parlement plaats te vinden, maar ruime uitingsvrijheid en een smalle marge voor de beperking van die vrijheid wordt aanvaard.

De marge betreft met name uitingen over het privé leven van de opponent of haatzaaierij. Die zijn in het politieke debat niet toegestaan, want dat zijn uitlatingen die niet behoren tot het politieke forum. Voor deze in het publieke debat toegekende vrijheid, bestaat volgens Stein een goede grond. Het politieke debat verschaft elke politicus de gelegenheid om de tegen hem uitgesproken aantijgingen te weerleggen. Volgens de auteur is het publiek de arbiter die bij de verkiezing de één in het gelijk en andere in het ongelijk stelt: daar hoeft geen rechter aan te pas te komen. Hiertegen kan de kanttekening gesteld worden dat anders dan de rechter, het publiek niet als een objectieve arbiter beschouwd kan worden. Immers is het publiek gemakkelijk te beïnvloeden door politieke leiders, die hun charismatische aanleg daarvoor aanwenden.

Stein vindt het jammer dat de kantonrechter in de onderhavige zaak de oplossing in een andere richting heeft gezocht. Santokhi voerde als verweer aan dat hij de gewraakte uitspraken zou hebben gedaan in de hoedanigheid van voorzitter van VHP. Dit betekent volgens laatstgenoemde dat de uitlatingen niet aan hem, maar aan de VHP moesten worden toegeschreven. Stein noemt het verweer van de gedaagde onwaarschijnlijk (gekunsteld) en het verbaast hem dat de kantonrechter de vordering op die grond heeft laten stranden.
Hij zou het overtuigender hebben gevonden wanneer de kantonrechter had beslist dat door de rechter grote terughoudendheid moet worden betracht bij de veroordeling van een politicus ter zake van zijn uitspraken.

Over de vraag of de VHP als ‘gevoegde’ partij tot schadevergoeding kon worden veroordeeld, zegt Stein het navolgende: “om een partij in een rechtsgeding te kunnen veroordelen, dient tegen hem een gemotiveerde eis te worden ingesteld, gepaard gaande met een oproeping om als gedaagde aan het proces deel te nemen”. Bij voeging is volgens de auteur van een dergelijke eis en oproeping geen sprake, zodat veroordeling niet mogelijk is. Stein vindt de uitspraak van de kantonrechter op dit punt dan ook geheel terecht.
Hoewel het in casu om een betrekkelijk korte noot gaat, zonder uitvoerige verwijzingen naar literatuur en rechtspraak, mag aangenomen worden dat het van grote betekenis kan zijn voor toekomstige processen over denigrerende uitlatingen met een beledigend karakter in een politieke context gedaan.

Carlo Jadnanansing
Paramaribo, 21 december 2015.