De Marowijnerivier die de grens vormt met Frans-Guyana. (Foto: Ranu Abhelakh)
De Marowijnerivier is al eeuwenlang veel meer dan een grens met Frans-Guyana. Voor duizenden bewoners is zij een levensader. Over de rivier wordt gevaren, gehandeld, gewerkt, gevist en familie bezocht. De rivier verbindt gemeenschappen die aan weerszijden al generaties lang met elkaar leven. Toch lijkt de Marowijne de afgelopen periode vooral een rivier van onzekerheid te zijn geworden. Niet omdat de rivier is veranderd, maar omdat de politieke discussie over het grensprotocol met Frankrijk steeds meer wordt gevoerd vanuit angst in plaats van vanuit feiten.

Tijdens de krutu te Stoelmanseiland maakte ABOP-voorzitter Ronnie Brunswijk bekend dat zijn partij tegen ratificatie van het protocol zal stemmen. Dat is zijn goed recht. In een democratie mag iedere partij een eigen afweging maken. Maar die aankondiging roept ook een aantal logische vragen op. Het protocol is immers niet gisteren uit de lucht komen vallen. Al jarenlang wordt er tussen Suriname en Frankrijk onderhandeld over betere afspraken rond de gezamenlijke grens. In maart 2021 werd het protocol ondertekend door de toenmalige regering, waarvan Brunswijk vicepresident was. Er volgden consultaties met de grensgemeenschappen, behandeling in De Nationale Assemblee en een uitgebreide vragenronde. Nu de ratificatie dichterbij komt, lijkt deze kwestie ineens onderwerp van politieke strijd te zijn geworden.

Wie het protocol uitsluitend afschildert als een bedreiging voor de bewoners van het grensgebied, vertelt namelijk niet het volledige verhaal. Frankrijk dringt al jaren aan op ratificatie. Dat heeft alles te maken met de problemen waarmee beide landen dagelijks worden geconfronteerd. Illegale goudwinning, smokkel, mensenhandel, drugstransporten, milieucriminaliteit en grensoverschrijdende criminaliteit houden zich niet aan landsgrenzen. De gezamenlijke verklaring bij het protocol spreekt daarom nadrukkelijk over samenwerking tussen beide landen op het gebied van veiligheid, milieubescherming, gezondheidszorg, onderwijs en de bestrijding van illegale activiteiten.

Daarmee zijn de zorgen van de bewoners overigens niet van tafel. Integendeel. De bewoners van de dorpen langs de Marowijne hebben recht op duidelijke antwoorden. Wat betekent het protocol voor de vrije doorvaart? Hoe werkt de aangekondigde grenspas? Welke gevolgen heeft het voor de kleinschalige goudwinning? Hoe zal de handhaving eruitzien? Dat zijn geen politieke vragen, maar vragen die direct te maken hebben met het dagelijks leven van de mensen in het gebied. De regering doet er daarom verstandig aan de grensgemeenschappen nog beter te informeren over de inhoud en de gevolgen van het protocol. Draagvlak ontstaat immers niet door haast, maar door openheid en transparantie.

Wie jarenlang deel uitmaakt van een regering die een internationaal traject voorbereidt, draagt daarvoor medeverantwoordelijkheid. Wanneer men later tot een andere conclusie komt, is dat mogelijk. Nieuwe inzichten zijn toegestaan. Maar dan hoort daar ook een duidelijke uitleg bij. Waarom was het protocol toen verdedigbaar en nu niet meer? Welke nieuwe feiten hebben dat standpunt veranderd? Dat zijn vragen waarop de samenleving recht heeft. Het is jammer dat een onderwerp van nationaal belang dreigt te verworden tot een politiek steekspel. Want uiteindelijk gaat het niet alleen om een grenslijn op een kaart. Het gaat om de veiligheid van bewoners, de bescherming van het milieu, de bestrijding van grenscriminaliteit en de toekomst van de gemeenschappen langs de Marowijne.

Een grensprotocol moet daarom niet worden beoordeeld op basis van angst of partijpolitiek, maar op basis van feiten, belangen en de vraag of Suriname er uiteindelijk beter van wordt. De vraag is dus misschien niet of we bang moeten zijn voor de Marowijne. De vraag is eerder welke belangen allemaal een rol spelen in dit debat.

Het protocol voorziet juist in een intensievere samenwerking tussen Suriname en Frankrijk bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit. Er worden afspraken gemaakt over gezamenlijke handhaving, informatie-uitwisseling en het optreden tegen illegale activiteiten die zich langs de grens afspelen. Dat zijn precies de onderdelen waarover de meeste discussie bestaat.

Juist daarom verdient de samenleving een eerlijk debat. Niet één dat wordt gevoerd vanuit angst of politieke emoties, maar vanuit feiten en transparantie. Wie vandaag afstand neemt van een protocol waaraan jarenlang is gewerkt, mag uitleggen waarom het oordeel nu anders luidt. Spelen hier geen persoonlijke en politieke belangen een grotere rol dan die van de samenleving? 

Nita Ramcharan