Al geruime tijd wordt er vanuit diverse actoren in de samenleving moord en brand geschreeuwd over de trieste gesteldheid van de veiligheid in ons binnenland. De roep van regeringsautoriteiten lijkt meer op die van een roepende stem in de woestijn. In Paramaribo en omstreken laat de veiligheid eveneens te wensen over, maar in deze beschouwing ligt de focus op het binnenland. Recentelijk hebben twee ministers in het parlement onomwonden toegegeven dat bandieten het binnenland aan het overnemen zijn en dat, indien er nu geen gericht veiligheidsbeleid voor het achterland wordt gevoerd, de overheid straks niets meer te bepalen zal hebben in dit deel van Suriname.

De goudkoorts, het tanende traditionele gezag en het zwakke veiligheidsbeleid van de overheid, liggen hier voor een groot deel aan ten grondslag. Dat de aantrekkingskracht van goud ervoor heeft gezorgd dat veel gespuis uit de stad en het buitenland naar het achterland is getrokken, is geen unicum. In onze geschiedenis hebben we dit al meerdere malen meegemaakt. De mensen die hier actief aan hebben deelgenomen of nog steeds deelnemen, zijn er echter niet structureel en duurzaam beter van geworden. De successen waren voornamelijk zichtbaar in consumptieve en demonstratieve uitingen. Datzelfde patroon zien we zich heden ten dage opnieuw aftekenen. Het edelmetaal wordt in het binnenland ontgonnen met als gevolg een drastische degradatie van het lokale milieu. In Paramaribo wordt vervolgens een consumptieve show opgevoerd met de opbrengsten van de goudactiviteiten in het binnenland.

Ondertussen hebben duizenden bandieten zich gevestigd in het goudlandschap en zetten zij voortdurend hun strategieën uit om met regelmaat toe te slaan op de buit. Zij hebben een uitgebreid netwerk opgezet in het achterland en zijn goed geïnformeerd. Bijna dagelijks is er een nieuwsbericht te horen over een gewapende roofoverval op een goudzoekerskamp in het binnenland.

Dit alles zet de ontwikkeling van het binnenland voortdurend op losse schroeven. In een omgeving van geweld, criminaliteit en instabiliteit kan immers geen sprake zijn van veiligheid, vrede en duurzame ontwikkeling. Het ondermijnt de stabiliteit die noodzakelijk is voor vooruitgang.

Wat niet naar Paramaribo wordt afgevoerd aan voordelen, verdwijnt rechtstreeks naar het buitenland. Het binnenland blijft achter met enorme kraters vol kwik; kreken en rivieren zijn ontwricht door zware en intensieve graafwerkzaamheden. De waterhuishouding wordt hierdoor ernstig verstoord. De illegale extractieve industrie vormt een ware plaag voor het milieu en brengt bovendien veel criminaliteit en gespuis met zich mee. De centrale overheid voert op dit terrein al decennialang een gedoogbeleid.

Duidelijke, zichtbare en gecoördineerde acties van het centrale gezag zouden ongetwijfeld meerdere doelen tegelijk dienen. De veiligheid zou worden hersteld, economische activiteiten zouden beter in kaart worden gebracht voor de fiscus en de staat zou aanzienlijke inkomsten kunnen genereren.

Het traditionele gezag is bovendien onvoldoende toegerust om effectief op te treden tegen de enorme inmenging van kapitaalkrachtigen in hun woongebieden. Hier en daar wordt gefluisterd dat deze functionarissen de verleiding om tegen materiële voordelen weg te kijken, niet altijd kunnen weerstaan. Het is funest dat de overheid passief blijft en niets onderneemt. Vandaag is het binnenland het doelwit, maar morgen kan Paramaribo met speels gemak worden overgenomen.

Ettiré Patra