Assembleelid Raymond Sapoen
Assembleelid Raymond Sapoen (NDP) heeft in De Nationale Assemblee de behandeling van de initiatiefvoorstellen rond de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie geplaatst in het bredere kader van de rechtsstaat. Volgens hem moet de samenleving beter begrijpen wat de Grondwet betekent als “hoogste wet” en als fundament voor burgerrechten en de trias politica. In dat verband noemde hij de lopende beraadslagingen “historisch”, omdat alle staatsmachten betrokken zijn bij het traject richting hervorming en modernisering van de rechtspleging.

Cassatie: niet óf, maar hóe
Sapoen stelde vrijdag als lid van de commissie van rapporteurs dat de behoefte aan een derde instantie/cassatie breed leeft binnen de rechtsgemeenschap en al langer speelt. Hij verwees naar vragen in de samenleving over kwaliteit, onafhankelijkheid en vertrouwen in rechterlijke uitspraken, en ziet cassatie als een logische vervolgstap na hoger beroep. Tegelijk bekritiseerde hij dat de Memorie van Toelichting bij de voorstellen te summier is. Voor zo’n ingrijpende wijziging moet volgens hem helder worden uitgelegd waarom cassatie nodig is en hoe dit past in het Surinaamse stelsel.

Ruimte voor CCJ als alternatief
Hoewel de initiatiefnemers volgens hem lijken te mikken op een eigen Surinaamse cassatie-instantie (Hoge Raad), vindt Sapoen dat de Grondwet niet te dichtgetimmerd moet worden. Hij pleitte ervoor om de bepalingen zo te formuleren dat wordt gesproken over een “hoogste rechtsinstantie” die uitspraken kan toetsen wegens schending van het recht, zonder die instantie vooraf vast te pinnen op één model.
Daarmee wil hij de mogelijkheid openhouden om op termijn – mede vanwege capaciteits- en internationale inbedding – te kiezen voor een regionale oplossing zoals het CCJ, eventueel met een speciale Surinaamse kamer voor het civielrechtelijke stelsel. Zo’n keuze vraagt volgens hem wel om een gedegen studie en politieke voorbereiding, waarbij ook de politiek moet aansluiten bij voorbereidend werk dat al vanuit het Hof van Justitie gaande zou zijn.

Vragen bij toezicht en inrichting
Sapoen plaatste vraagtekens bij een voorgestelde wijziging van artikel 139, waarin het toezicht van het Hof van Justitie op de “geregelde afdoening” van rechtsgedingen aan de orde is. Hij vroeg wat precies het doel is van het schrappen of aanpassen van die bevoegdheid en welk alternatief toezichtmodel daarvoor in de plaats komt. Ook wilde hij duidelijkheid over het voorgestelde toezicht op het functioneren van leden van de rechterlijke macht: wie gaat dat uitvoeren en hoe wordt dat georganiseerd?

Tweede pg en benoeming: “taakstelling verduidelijken, tegenstrijdigheid oplossen”
Over het voorstel waarin sprake is van een procureur-generaal bij zowel de beoogde hoogste instantie als bij het Hof van Justitie, vroeg Sapoen naar de ratio en concrete taakstelling van een “tweede pg”, en stelde hij voor dit nader bij wet uit te werken.
Daarnaast wees hij op een discrepantie tussen de Grondwet (benoeming door de regering na advies van het Hof) en bepalingen uit de wet van 2024 over de rechtspositie van de rechterlijke macht, waarin ook een rol voor voordracht vanuit het Openbaar Ministerie wordt genoemd. Volgens Sapoen moet die inconsistentie worden gecorrigeerd, waarbij – zolang dat niet is gebeurd – de Grondwet altijd prevaleert.

Pensioenleeftijd pg: terug naar 65
Sapoen ging uitvoerig in op het voorstel om de pensioenleeftijd voor de staande magistratuur, waaronder de pg, weer op 65 jaar te brengen. Hij stelde dat de discussie hierover onnodig is gepersonaliseerd. In zijn benadering gaat het niet om een persoon, maar om het systeem: in 2024 is volgens hem zonder afdoende staatsrechtelijke motivering een balans verschoven, waarbij het Openbaar Ministerie te veel is “gelijkgesteld” aan de rechterlijke macht. Het terugbrengen van de leeftijdsgrens ziet hij als onderdeel van het herstellen van een functioneel onderscheid tussen vervolging (OM) en rechtspraak (rechter).

College van PG’s: in principe geen tegenstander
Op het meest besproken onderdeel – het voorstel voor een College van Procureurs-Generaal – zei Sapoen in principe geen tegenstander te zijn. In een kleine samenleving kan machtsconcentratie bij één PG volgens hem extra risico’s meebrengen door nabijheid, verwevenheid en personificatie. Een collegiale top kan volgens hem bijdragen aan interne checks and balances, kwaliteitscontrole en consistentie in vervolgingsbesluiten, en ook de schijn van politieke beïnvloeding helpen beperken. Wel vindt hij opnieuw dat de Memorie van Toelichting tekortschiet en dat de keuze voor bijvoorbeeld maximaal vier leden beter moet worden gemotiveerd. Hij noemde het principe van een oneven aantal leden (bijvoorbeeld drie) werkbaarder voor besluitvorming.

OM-positionering: “we missen een kans”
Sapoen stelde dat het debat niet alleen over structuren moet gaan, maar ook over de constitutionele positionering van het OM. Volgens hem is het OM een bijzonder en onafhankelijk orgaan, maar met een bestuurlijke handhavingstaak: het voert beleid, maakt opportuniteitsafwegingen en handelt namens de staat. Daarom zou verantwoording in beleidszin via de minister en het parlement helder moeten zijn, zonder dat dit neerkomt op inmenging in individuele strafzaken. Hij sprak in dat verband over een gemiste kans om de rol van het OM in het staatsbestel scherper vast te leggen.

Cassatie mag niet ten koste gaan van investeringen in de basis
Sapoen benadrukte dat de introductie van een cassatie-instantie niet mag betekenen dat investeringen in de huidige rechterlijke macht achterwege blijven. Capaciteit, middelen en institutionele versterking van de eerste en tweede aanleg blijven volgens hem een permanente opdracht voor elke regering.