Vandaag komt een eind aan een van de meest beladen en spraakmakende strafzaken in de recente Surinaamse geschiedenis. Het Hof van Justitie zal in Hoger beroep uitspraak doen in de zogenoemde ‘corruptiezaak bij de Centrale Bank van Suriname (CBvS). Na zes jaar onderzoek, vervolging, publieke veroordeling en juridisch debat staat niet alleen het lot van de verdachten op het spel, maar ook een fundamentele vraag: waar eindigt strafrecht en waar begint beleidsverantwoordelijkheid?

door: Wilfred Leeuwin

Wat begon als een corruptieonderzoek is gaandeweg uitgegroeid tot een toets van de rechtsstatelijke verhoudingen. De kern van de aanklacht draait om het gebruik van CBvS-middelen voor onder meer overheidsuitgaven in 2019. Het Openbaar Ministerie (OM) kwalificeerde dit als strafbaar handelen onder de Anti-Corruptiewet. Een door het OM veel gebruikte noemer van deze zaak is; dat de verdachten de CBvS hebben benadeeld ten gunste van de Staat. En daarbij handelingen hebben gepleegd die buiten de bevoegdheden van de bank vallen. 

Van l-r: Robert van Trikt, Ginmardo Kromosoeto, Gillmore Hoefdraad, Faranaaz Hausil en Ashween Angnoe.

De verdachten
In deze hoger beroepszaak gaat het om de verdachten, Gillmore Hoefdraad ex-minister van Financiën die sinds zijn aanmerking als verdachte voortvluchtig is. Hij werd in eerste aanleg veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf, een geldboete van SRD 500.000 of subsidiair 12 maanden hechtenis. Robert van Trikt de voormalige governor van de CBvS in die periode onder wiens leiding en volgens hem met instemming van Hoefdraad, de handelingen waaronder projecten zijn uitgevoerd. Hij werd veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf en een boete van SRD 500.000 subsidiair of 16 maanden hechtenis. 

Ashween Angnoe, de zakenpartner van, Van Trikt en directeur van het accountbureau Orion die betrokken is geweest bij het uitvoeren van de projecten. Hij kreeg vier jaar gevangenisstraf en een boete van SRD 150.000 subsidiair twaalf maanden hechtenis. Faranaaz Hausil, de toen juridische directeur bij de CBvS. Zij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. Hoewel zij haar straf reeds heeft uitgezeten tekende zij ook voor dit hoger beroep om zoals zij zegt haar naam te zuiveren. Ginmardo Kromosoeto, de toenmalige directeur van de Surinaamse Postspaarbank. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en kreeg een boete opgelegd van SRD 150.000 of 12 maanden subsidiair. Op Hoefdraad na, hebben allen ten minste twee-derde van hun veroordeling uitgezeten. Vandaag horen zij of, bevestiging van hun veroordeling, vrijspraak of wat in het strafrecht altijd mogelijk is, verruiming van hun straf

Geen diefstal
Opvallend is dat gedurende het proces er geen bewijs is geleverd van zelfverrijking, verduistering of steekpenningen. Dat heeft de discussie verschoven van klassieke corruptiebestrijding naar de vraag of beleidskeuzes – hoe controversieel ook – strafrechtelijk vervolgbaar mogen zijn. Volgens het OM is de vervolging niet ingegeven door politieke motieven of beleidsverschillen, maar door concrete handelingen die volgens hem de grenzen van het wettelijk mandaat van de CBvS hebben overschreden.

Strafrecht of administratief
Waar de verdediging van de verdachten zich consistent aan hebben gehouden is dat de uitvoerende macht en de CBvS beleid hebben gevoerd binnen hun wettelijk mandaat. De Bankwet geeft de bank expliciet de taak om ‘een evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling’ te bevorderen. Hun functioneren wordt politiek en administratief beoordeeld, door het Parlement en de Rekenkamer en niet strafrechtelijk. Gesteld werd dat de rol van de rechterlijke macht is; het beoordelen van overtredingen van het strafrecht, niet het beoordelen van de ‘wijsheid’ van complex economisch beleid binnen wettelijke grenzen, in een jaar met een wereldwijde pandemie (COVID19) en een impact van de aanhouding van de 19,5 miljoen euro. Door deze zaak te behandelen, riskeert de rechter een instrument te worden voor het vereffenen van politieke rekeningen, wat een verlammend effect zal hebben op al het toekomstige bestuur

Immuniteit
Een element dat de zaak extra complex maakt, is de parallelle civiele procedure in Nederland over de beslaglegging op circa 19,5 miljoen euro die door de CBvS namens drie andere lokale banken werden getransporteerd naar het buitenland. In die procedure stelt de Surinaamse staat dat het om centrale bankreserves gaat die zijn aangewend voor monetair beleid en daarom vallen onder de statelijke immuniteit van de centrale bank. De Nederlandse justitie spreekt echter tegen dat het geld van de banken is en niet valt onder het monetair beleid van de moederbank en de immuniteit niet zou zijn aangetast. 

Critici wijzen op de spanning die hierdoor ontstaat: in Nederland wordt hetzelfde handelen verdedigd als legitiem staatsbeleid, terwijl het in Suriname, in de CBvS-zaak strafrechtelijk wordt vervolgd. Het Hof zal zich moeten buigen over de vraag of deze tegenstrijdigheid de geloofwaardigheid en consistentie van de vervolging raakt.
Het OM verwerpt de stelling dat de civiele procedures in Nederland een juridische paradox creëren. Volgens het OM gaat het daar om een civielrechtelijk geschil over eigendom en immuniteit, terwijl de strafzaak in Suriname ziet op de rechtmatigheid van beslissingen en gedragingen van functionarissen. Dat dezelfde feiten in verschillende rechtscontexten anders worden beoordeeld, is volgens het OM niet ongebruikelijk en juridisch verdedigbaar.

Anti-Corruptiewet
Een ander cruciaal punt is de toepasbaarheid van de Anti-Corruptiewet, op basis waarvan de verdachten worden vervolgd. De wet trad formeel in werking in 2017, maar essentiële uitvoeringsmechanismen, zoals een vereiste anti-corruptiecommissie, werd pas in 2023 ingesteld. In internationale rapportages, waaronder een VN-document uit 2024, is erkend dat de implementatie lange tijd tekortschietend was. De vraag die boven de zaak hangt, is of vervolging mogelijk is op basis van een wet die juridisch bestaat, maar institutioneel nog niet operationeel was. Dit raakt direct aan het legaliteitsbeginsel: geen straf zonder een duidelijke, werkende wettelijke grondslag.

Feiten vs beeldvorming 
Het publieke debat rond de CBvS-zaak is jarenlang gedomineerd door, publieke uitspraken, grotendeels gevoed door de politieke oppositie met termen als ‘verdwenen miljarden’ en ‘plundering’ van staatsmiddelen. Tegelijkertijd laten officiële rapporten van onder meer de Algemene Rekenkamer, het Bureau voor de Staatsschuld en externe forensische onderzoekers zien dat middelen administratief zijn verantwoord en contracten binnen het kader van de Bankwet vielen. Internationale instellingen zoals het IMF en de IDB hebben bovendien gewezen op de uitzonderlijke omstandigheden waaronder Suriname in die jaren moest opereren. Dit contrast tussen juridische feiten en publieke beeldvorming maakt de zaak ook tot een les in hoe snel strafprocessen politieke en maatschappelijke betekenis krijgen die verder reikt dan het dossier. In het geval van Hoefdraad heeft Interpol zelf geweigerd hem op te sporen en aan Suriname uit te leveren. Deze internationale politieorganisatie stelt zich op het standpunt dat Suriname onvoldoende bewijs heeft geleverd om de opsporing te rechtvaardigen en deze kwestie politiek is gemotiveerd.

Kasreserve
Een goed voorbeeld van politieke beïnvloeding van het publieke debat is dat de van de lokale banken aangesproken kasreserves zijn geplunderd. De feitelijkheid is echter dat officiële documentatie, wetgeving, jaarverslagen van de centrale bank en verklaringen van directieleden in het strafrechtelijk vooronderzoek, spreken van een rechtmatige handeling binnen het monetair beleid van de bank. Het gecontroleerde jaarverslag 2019 van de CBvS toont een winst van 38 miljoen SRD. Het Bureau voor de Staatsschuld en de Algemene Rekenkamer bevestigden dat geen geld ontbrak; de reserves waren correct verantwoord.

Gevolgen
De uitspraak later op de dag zal onvermijdelijk precedentwerking hebben. Een bevestiging van de veroordelingen kan worden gezien als een vergaande verruiming van het strafrecht richting beleidsdaden, met mogelijk een verlammend effect op toekomstig bestuur. Een vrijspraak daarentegen zou de grens tussen politieke verantwoording en strafrecht opnieuw scherp trekken, maar zal ook vragen oproepen over de jarenlange vervolging en reputatieschade van deze verdachten. 

Wat het Hof ook beslist, duidelijk is dat dit geen gewone zaak is. Het is een uitspraak over rechtszekerheid, over de rol van instituties en over de mate waarin Suriname erin slaagt juridische zuiverheid te bewaren in een gepolariseerde politieke context. Maandag valt niet alleen een vonnis over zes personen, maar over de manier waarop het land omgaat met macht, verantwoordelijkheid en recht, zeker waar het administratief recht wel bekend, maar niet is ingesteld binnen de rechterlijke macht.