Kritische kanttekeningen bij Wet Productie Krediet Fonds
23 Nov, 04:44
foto
Mahinder Jogi, voorzitter van commissie van rapporteurs.


Bij de behandeling van de Wet Poductie Krediet Fonds was de vraag naar meer duidelijkheid de rode draad. Mahinder Jogi (VHP), voorzitter van commissie van rapporteurs, zei dat er een enorme financieringsbehoefte is voor ondersteuning in de productiesector. De lokale banken zijn niet altijd in staat onder aannemelijk en acceptabele voorwaarden krediet te verstrekken aan de productiesector.  De regering wil met deze wet in deze behoefte voorzien door goedkoop kapitaal aan de productiesector te bieden.

Jogi merkte op dat er meerdere fondsen zijn en wilde weten wat de raakvlakken en verschillen zijn. De kredieten uit dit fonds zijn bedoeld voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s). Volgens hem is het belangrijk dat vastgesteld wordt wat een kmo is en hoe er wordt beoordeeld. Ook moeten ondernemers weten waar geld te lenen en waar niet. Er moet geen onduidelijkheid bestaat waarom iemand wel of niet mag lenen, waarvoor er geleend kan worden en hoe groot het bedrag moet zijn. Jogi vroeg de regering hoeveel middelen in dit fonds gestopt zal worden en of het gaat om vreemde valuta of SRD.

Volgens Jogi wordt het tijd om alle fondsen bij elkaar te brengen en in elk district bekwame mensen te zetten die de informatie kunnen verstrekken aan ondernemers en hen ook bijstaan met adviezen. Bij de samenstelling van het bestuur stelde Jogi voor het aantal te brengen van vijf naar zeven, waarbij ook iemand de kmo’s zal vertegenwoordigen. Hij riep de regering op om voor goedkeuring van de wet een profielschets van personen te maken zodat het parlement ook daarover kan beslissen. Hij stelde ook voor dat besluiten van het bestuur bij een meerderheid genomen worden en niet door de voorzitter alleen. Hoeveel zal betaald worden aan de bestuursleden. Jogi zei dat het beleid niet overgelaten moet worden aan het bestuur, maar door de regering geformuleerd moet worden. “Anders kan dat funest worden voor de sector en de doelgroepen”, meende Jogi.

Begeleiding nodig
Ann Sadi (NDP) wilde weten hoe de kredietaanvrager en kredietnemer begeleid zullen worden in hun keuzes om te voorkomen dat zij in een diep dal komen. Sadi zei dat het belangrijk is dat de wet duidelijk aangeeft welke garantie of controle er zal zijn om de aanvragen duurzaam te laten geschieden. Zij vroeg ook aandacht voor districten als Para waar mensen toestemming krijgen om in dorpsgemeenschappen te planten. In het kader van het hebben van onderpand wilde Sadi weten welke voorzieningen de regering heeft voor deze mensen als ze een beroep doen op het fonds.

Obed Kanape, fractieleider van de ABOP, is van mening dat ondernemerschap stimuleren ook een taak moet zijn van het fonds. Hij wilde weten hoe organisaties als Akmos en KKF en de bedrijven die hieronder vallen deelgenoot zullen zijn van het fonds. Kanape vroeg de regering waarom zij heeft gekozen voor VSB en ASFA in het bestuur en niet de andere organisaties. Hij stelde voor om een lid van het ministerie van Regionale Ontwikkeling op te nemen in het bestuur, omdat dit ministerie in elke district vertegenwoordigd is en het belangrijk is dat ondernemers in de districten ook toegang krijgen tot het fonds.

Geen eenduidige beleid
Ebu Jones (NDP) zei dat deze wet niet synchroon loopt met de wet NOFA. Er zijn verschillen hoewel de wetten hetzelfde nastreven in andere sectoren. Zo worden de middelen voor het fonds NOFA op verschillende manieren verkregen, maar bij deze wet zijn twee nieuwigheden bijgezet. Dit terwijl het parlement deze zelfde dingen uit de wet NOFA heeft gehaald. Bij NOFA is er ook gekozen voor een raad van bestuur, maar bij deze wet niet. “Dat getuigt van niet genoegzaam beseffen dat wetten in lijn moeten zijn met elkaar. Dit krijg je als wetten niet gestoeld zijn op een beleidsnota”. Jones wees ook op formuleringen van artikelen die voor andere interpretaties vatbaar zijn. Ook zijn er zaken die dubbel zijn aangehaald zoals zaken die zowel door het bestuur als de beheerder gedaan moeten worden. Hij vindt dat de wet aangepast dient te worden.

Kishan Ramsukul (VHP) wilde weten of alleen Surinamers aanspraak maken op het fonds, omdat het niet specifiek is aangegeven. Over de korte termijn beleggingen bij overtollige middelen zei Ramsukul dat als een fonds overtollige middelen heeft het niet goed werkt. “Als een fonds goed functioneert moet het geld steeds als krediet worden uitgegeven”, sprak Ramsukul. In de afgelopen jaren heeft Suriname slecht gescoord met ease of doing business. Het productiefonds is een stap naar verbetering, maar ook andere voorwaarden moeten volgens Ramsukul meegenomen worden. Hij stelde ook voor dat mensen naast een krediet in aanmerking komen voor begeleiding, vooral als de aanvraag afgewezen wordt. “Wat moeten ze doen om in aanmerking te komen? Mensen weten soms hun idee niet om te zetten in een plan. Dat soort begeleiding moet er zijn”, stelde Ramsukul.

Aandacht voor muziek
Ronny Asabina, fractieleider van de BEP, legde de nadruk op de muziekindustrie die innovatief bezig is en volgens hem de fonds zouden mogen aanspreken. Volgens hem leveren veel Surinamers een bijdrage op het gebied van muziek, maar dat zij niet eraan verdienen. Andere verdienen door kijkopties geld bij een buitenlandse organisatie. Asabina zei dat Suriname ook zijn muziek kan innoveren en aanbieden als exportproduct. Hij kreeg hierin de ondersteuning van Kanape en Henk Aviankoi (VHP).

Melvin Bouva (NDP) was eens dat muziek een exportproduct is, maar dat er nu gesproken wordt over een productiefonds waaraan een lening en rente is gekoppeld. “Als we middelen geven moet de hele cultuur afgestemd zijn daarop. Het moet terugbetaald worden. Tot nu toe is dat onvoldoende”. Bouva vroeg dat de regering ook gaat nadenken over een fonds voor kunst en cultuur. “Als ze getraind en beschermd zijn, verkopen en verdienen dan geven we ze geld. Nu is er nog geen ruimte in dit fonds”, zei Bouva.

Chanrui Wang (VHP) merkte op dat iedere mogelijkheid om de productie te stimuleren omarmd moet worden, maar dat de nodige faciliteiten in orde moeten zijn anders heeft het geen zin. Startende ondernemers hebben een duw in de rug nodig. Hij vroeg waarom er zoveel geïmporteerd wordt terwijl in Suriname veel gedaan kan worden. “We moeten ondernemers pushen om hun eindproducten aan te bieden op buitenlandse markten. We moeten ze stimuleren om hun bedrijven en producten te certificeren”, zei Wang. Hij wilde weten wat het startkapitaal van het fonds zal zijn en wat er gedaan zal worden om te voorkomen dat het fonds niet uitdroogt. De verdere behandeling is verdaagd naar donderdag.
Advertenties