Column: Grondconversie en bestemmingsplannen
16 Mar, 00:59
foto
Hans Breeveld


De zaak van grondconversie scheen even opgeborgen, maar met het aanbieden van een petitie door leiders van 3 buitenparlementaire politieke partijen aan de voorzitter van DNA scheen weer wat licht op dit onderwerp. Met hen en nog enkelen uit onze samenleving vroeg ik mij van meet af aan af, of de zaak van grondconversie niet te prematuur aan de orde wordt gesteld. Grondconversie zou op den duur geld in de staatskas kunnen brengen, maar als aan de noodzakelijke randvoorwaarden niet wordt voldaan dan is de kans groot dat wij belanden bij het bekende puru bruku, weri bruku. Suriname heeft op de eerste plaats behoefte aan ordening en handhaving daarvan.

De heftige discussies over de zogenaamde conversiewetgeving waarbij dwars door de coalitie een breuklijn liep – geven aan dat de realisatie van de huidig voorgestelde wijziging van de wet geen easy walk over zal worden. De angst die menigeen om het hart slaat is de mogelijkheid tot het vormen van grootgrondbezit en/of speculatief gebruik van de grond. Het is mooi en waar dat in de ontwerpwet staat dat maximaal 6 ha van de grond, die nu gehuurd wordt tot eigendom geconverteerd mag worden. Maar we weten toch dat de ‘vindingrijkheid’ van enkelen om de overheid om de tuin te leiden onbegrensd is? Ook is het bekend dat personen die bij die overheid werken bereid zijn één en als het moet beide ogen dicht te knijpen als het om familie en/of vrienden, of om het krijgen van een tyuku gaat. Als Suriname een betrouwbaar Burgerservicenummer had – zoals het bekende BSN-nummer in Nederland -  dan zou dat ietwat geruststelling bieden.

Een angst van bezorgde burgers is het fenomeen dat particulieren grond van de overheid kopen – waarbij vanwege slechte planning van deze overheid - die overheid diezelfde grond voor de uitvoering van publieke werken in de toekomst moet terugkopen. Onze overheid kijkt helaas niet ver genoeg vooruit. Bestemmingsplannen zouden vele van deze misverkopen kunnen voorkomen. Bestemmingsplannen geven namelijk aan waar welke economische activiteit zal worden uitgeoefend en hoe. Anderzijds geven deze plannen ook aan hoe de grond gebruikt mag worden en wat op die grond gebouwd mag worden. De hoogte, de grootte en bestemmingen van gebouwen op die grond.

Middels deze bestemmingsplannen kunnen wij ervoor zorgen dat wat als landbouwgrond wordt geïdentificeerd niet speculatief een ander doel wordt gegeven. Maar bestemmingsplannen moeten ons ook helpen eindelijk woonwijken te maken tot woonwijken. Niet dat er plotseling een bordeel – met rondhangende leeglopers - naast jouw huis wordt neergezet, of een crèche met huilende baby’s en gillende crèche juffrouwen of een kast van een winkelpand naast jouw woning verrijst waardoor het verkrijgen van lucht en licht ernstig wordt belemmerd.

Wij mogen ons gelukkig prijzen dat wij het fenomeen van grootgrondbezit niet kennen en het is te hopen dat het zo blijft. Op 10 december 1969 ontving de Nederlandse econoom en natuurkundige Jan Tinbergen samen met de Noorse econoom Ragnar Frisch als eersten de Nobelprijs voor economie. Toen aan Tinbergen – die zeer geïnteresseerd was in de ontwikkelingsproblematiek van de ontwikkelingslanden – gevraagd werd wat hij met de ruim NF 130 000 die hij als prijs ontvangen had zou doen, was zijn antwoord dat hij dat zou gebruiken voor een studie over belastingheffing op grootgrondbezit in ontwikkelingslanden.

Zijn overwegingen daarbij waren:
- De belastingopbrengsten kunnen worden vermeerderd.
- Het kan bijdragen om de ongelijkheid in deze landen te verminderen en
- het kan een bijdrage leveren aan de stimulering van landbouwproductie.
Het is te hopen dat degenen die pleitbezorgers van de grondconversie zijn ook deze nobele doelen voor ogen hebben en niet grootgrondbezit - dat reeds in menig land bestreden wordt - in Suriname te introduceren. De ongelijke verdeling van grond is door de tijden heen steeds een bron voor  mening conflict geweest. Zo was het een opmaat voor de Franse Revolutie (1789).

Op de NDP-vergadering van 26 februari j.l. in Ocer betoogde Jenny Geerlings-Simons dat er vergevorderde plannen zijn om de nationaliteitswet te veranderen. Zo zou het verlenen van de Surinaamse nationaliteit niet meer een publieke aangelegenheid zijn. Buiten het gezichtsveld van het grote publiek zouden vrienden en familie voorzien kunnen worden van een Surinaams paspoort, met de rechten die daaraan verbonden zijn. Ze maakte daarbij de koppeling naar het verschaffen van grond aan deze nieuwe gelegenheids-‘Surinamers’.  Als dit waar is dan moeten wij ons nog meer zorgen maken over het hele grondconversie gebeuren. Als dit niet waar is, dan moeten kopstukken van de regering het weerleggen, maar dit kan niet blauw-blauw gelaten worden.

Hans Breeveld
Advertenties

Thursday 11 August
Wednesday 10 August
Tuesday 09 August