Stem van het volk kan gratie legitimeren
09 Jun, 02:44
foto


In het dezer dagen (enigszins verlaat) uit te komen eerste nummer van het Surinaams Juristen Blad (SJB 2019 no. 1) heeft Dr.Ir. Viren S. Ajodhia LL.B., een belangwekkende verhandeling geschreven getiteld: Gratiemogelijkheid binnen het decemberproces - een rechtsfilosofische beschouwing.

Viren Ajodhia, hierna ook te noemen de auteur, is in het dagelijks leven gevestigd als energiedeskundige. Hij beschikt tevens over de bachelorsgraad in de rechtswetenschappen en is thans bezig zijn masterstudie in deze studierichting aan de Adekus af te ronden.

Met het artikel heeft hij zijn licht doen schijnen op een controversieel onderwerp dat de gemoederen in onze samenleving al decennia bezighoudt. De mogelijkheid van gratieverlening, indien het tot veroordeling komt van de hoofdverdachte, wordt door Ajodhia voornamelijk vanuit een rechtsfilosofisch gezichtspunt belicht. In mindere mate wordt het artikel ook bekeken vanuit het strafrecht en het strafprocesrecht. Tevens vormt ook de ethiek één van de hoekstenen van het artikel.

De auteur bouwt zijn betoog op met een weergave van de historische ontwikkeling van het gratiebegrip, bespreekt vervolgens de rol van gratie binnen de trias politica, en beantwoordt tenslotte de gratievraag vanuit de perspectieven van legaliteit en legitimiteit. Hierbij merkt hij op dat zelfgratie in wezen legaal is, maar de legitimiteit daarvan zeer discutabel is.

Historisch gezien had gratie oorspronkelijk het karakter van een door de vorst verleende persoonlijke gunst. Later ontwikkelde gratie zich als machtsinstrument van de koning die door gratieverlening onderwerping aan hem kon afdwingen. Of in de woorden van de Engelse filosoof Jeremy Bentham (1748 – 1832):: “Power of pardon supposes tyranny in the same hand”.

De meningen onder de rechtsfilosofen over het recht van gratie lopen sterk uiteen. Velen vinden dat als er sprake is van rechtvaardig recht, gratie niet nodig is. Montesquieu en Rousseau zagen echter een bescheiden rol voor gratie weggelegd, omdat de rechter niet onfeilbaar is. In de visie van Bentham heeft gratie nog steeds een belangrijke rol om waar nodig corrigerend tegen de rechtspraak op te treden.

Gratie kan een doorkruising van de leer van de trias politica inhouden, aangezien de uitvoerende macht met dit instrument het uitvoeren van een bij rechterlijke uitspraak bepaalde straf kan voorkomen. Het strafrecht heeft mede als functie de burgers te beschermen tegen ongebreidelde justitiële en politiële macht en vervult een regulerende functie.

De rechterlijke macht is belast met het bewaken van de belangrijkste principes waarop ons strafrecht berust, namelijk primair het legaliteitsbeginsel dat bepaalt dat een handeling slechts strafbaar is als die vooraf in de wet als zodanig is opgenomen. Hiermee wordt overheidswillekeur voorkomen. Een ander pilaar van het strafrecht is het schuldbeginsel dat inhoudt dat niemand kan worden gestraft voor iets dat hem niet kan worden verweten. Het bewaken van de rechtszekerheidsbeginselen is in een rechtstaat in handen gesteld van de rechterlijke macht (art. 134 G.W.).

Onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden heeft de uitvoerende macht de mogelijkheid om een vonnis niet te doen uitvoeren door de veroordeelde gratie te verlenen. Dit principe is overigens in de wetgeving van alle rechtsstaten opgenomen. Opgemerkt wordt dat het vonnis zelf in stand blijft en dat dit op het strafblad van de veroordeelde blijft opgeschreven. Gratie kan pas verleend worden als er al een vonnis is uitgesproken.

De gratieregelgeving is opgenomen in art. 109 G.W.:
De President heeft het recht van gratie van straffen door rechterlijk vonnis opgelegd. Hij oefent dit recht uit na het advies te hebben ingewonnen van de rechter, die het vonnis heeft gewezen.”

Legaliteit vs legitimiteit
De enige verplichting voor de president bij gratieverlening is dat hij advies inwint bij de rechter die het vonnis heeft gewezen. Hierbij wordt opgemerkt dat het advies niet bindend is. De president mag dit dus naast zich neerleggen. De G.W. geeft verder geen gronden aan waarop gratie mag worden verleend. Dit betekent dat de president op dit stuk zeer ruime bevoegdheden heeft. Met andere woorden: Gratie is een prerogatief van de president.

Als het dus tot een veroordeling mocht komen in het Decemberstrafproces bestaan er dus geen wettelijke belemmeringen voor gratieverlening. Desondanks verwacht Ajodhia dat een eventuele gratieverlening veel stof zal doen opwaaien. Volgens hem zit het probleem van gratie niet in de legaliteit, maar in de legitimiteit ervan. Het ontbreken van wettelijke richtlijnen maakt de gratieverlening vatbaar voor discussie. Legitimiteit heeft te maken met de rechtvaardigheid van een bepaalde regel of besluit. Het feit dat de president legaal gratie kan verlenen, betekent nog niet dat zo een gratiebesluit als rechtvaardig door de gemeenschap wordt ervaren.

De auteur acht het ook niet uitgesloten dat er legitieme redenen zijn voor gratieverlening binnen het Decemberstrafproces. Hiervoor doet hij een beroep, in de eerste plaats op de visie die bekend staat als het retributivisme. De grondlegger van deze stroming is de Duitse filosoof, Immanuel Kant (1724 – 1804). Het uitgangspunt is zijn categorisch imperatief, welke ervan uitgaat dat men alleen die handelingen dient te verrichten waarvan men kan willen dat ze zouden kunnen worden bevolen door een algemene wet. Als een handeling in strijd is met het categorisch imperatief, dan is bestraffing gerechtvaardigd. Binnen het retributivisme is gratie in principe ondenkbaar. Gratie is slechts bij uitzondering toegestaan. Één van deze uitzonderingen is een misdrijf begaan tegen de soeverein zelf. Ajodhia vindt dat het begrip soeverein ruimer moet worden opgevat, aangezien deze niet alleen de koning (president) behoeft te betreffen, maar ook het soevereine volk in zijn algemeenheid. Hieruit trekt hij de conclusie dat gratie in het Decemberproces in beginsel mogelijk is, maar dat die dan door het soevereine volk en niet door de president moet worden verleend. Een inventieve invalshoek van de auteur waarbij echter wordt opgemerkt dat deze benadering in strijd is met de letter van de G.W., daar deze alleen maar spreekt over de president en niet het soevereine volk (CJ).

Een tweede (rechts)filosoof op wie de auteur een beroep doet is de Engelsman Jeremy Bentham, die bekendstaat als de stichter van de utilistische school. Deze stroming gaat ervan uit dat straf alleen gerechtvaardigd is als de gevolgen daarvan nuttig zijn. Van nut is sprake als een bepaalde handeling leidt tot “the greatest happiness for the greatest number of people”. De functie van de algemene wet volgens Bentham is om ervoor te zorgen dat slechts die gevallen worden gestraft waar het leed van straffen het nut overtreft. Volgens Bentham ervaart het volk pain of sympathy als er sprake is van een situatie waarbij een groot deel van het volk het niet eens is met het bestraffen van iemand.

Gratie binnen het Decemberstrafproces
Ajodhia komt tot de conclusie dat zowel bij Kant als Bentham gronden kunnen worden gevonden die gratie bij het Decemberstrafproces zouden kunnen rechtvaardigen.  In beide gevallen is een cruciale rol toebedeeld aan het volk, hetzij als de vergevende soeverein (Kant) of als het uiting geven van displeasure (Bentham). Deze twee rollen komen in wezen op hetzelfde neer:de stem van het volk kan gratie legitimeren

In beide gevallen zal het nodig zijn op de één of andere manier de stem van het volk te doen spreken. Ons staatsbestel biedt hiervoor enkele opties. De eerste is een initiatief binnen het parlement in de vorm van een motie of een wet. Gelet op de zwaarte van het onderwerp adviseert de auteur twee andere mogelijkheden: het houden van een Verenigde Volksvergadering of een referendum, waarbij hij erop wijst dat in alle gevallen een besluit van DNA met tenminste twee/derde meerderheid moet worden genomen. Een op deze wijze verleende gratie acht Ajodhia per definitie legitiem.

Tot slot brengt Ajodhia naar voren dat in het Decemberstrafproces Suriname zich kan beroepen op een wereldprimeur. Er zijn geen gevallen bekend waarbij eerder een regerend staatshoofd berecht wordt. Bij het afsluiten van zijn verhandeling geeft de auteur te kennen dat met de door hem aangedragen oplossing, bij een eventueel veroordelend vonnis, voor Suriname een zwarte bladzijde in de geschiedenis kan worden afgesloten op een aanvaardbare wijze en de blikken eindelijk gericht kunnen worden op de toekomst en ontwikkeling van de republiek. Uitdrukkelijk moet worden vermeld dat het proces nog niet beëindigd is en behalve veroordeling ook vrijspraak en ontslag van rechtsvervolging tot de mogelijke uitspraken behoren (CJ).

Carlo Jadnanansing