In een Zuid Aziatisch land, met ongeveer 173 miljoen inwoners, vonden recent verkiezingen plaats onder uitzonderlijke omstandigheden. In 2024 gingen studenten in dit land massaal de straat op om te protesteren tegen diepgewortelde corruptie. Hun protest richtte zich niet slechts tegen individuele misstappen, maar tegen een systeem dat zij ervoeren als structureel bevoordelend voor een beperkte groep rond de macht. De zittende premier, die het land decennialang had bestuurd en consistent de belangen van specifieke netwerken had beschermd, verloor haar legitimiteit en verliet uiteindelijk het land.

De daaropvolgende verkiezingen leverden een opmerkelijke uitkomst op. Een partij die ideologisch is gefundeerd op strenge religieuze beginselen behaalde de overwinning. Dat lijkt paradoxaal in een context waarin jongeren — doorgaans geassocieerd met modernisering en liberalisering — de drijvende kracht achter de omwenteling vormden, in een land waar de scheiding van religie en macht het fundament van de staatsinrichting vormt. Toch was de doorslaggevende factor niet religie, maar de belofte van radicale corruptiebestrijding. De campagne concentreerde zich vrijwel exclusief op het herstel van integriteit in het bestuur.

Deze ontwikkeling is staatsrechtelijk interessant en complex wanneer het gaat om regels, normen en waarden. Dit mag ons er echter niet van weerhouden om deze materie toch bespreekbaar te maken.

In twee artikelen zal ik bepaalde aspecten van corruptiebestrijding als campagnestrategie de revue laten passeren. Houd daarbij in gedachten dat volgens de website van Transparency International wij als land op de 96e plaats staan van de 181 landen op de Transparency Index van 2025. De vraag dringt zich op: waarom staan wij als natie niet in de top 10?

Corruptie als legitimiteitscrisis
Corruptie dient niet alleen te worden bekeken vanuit de strafrechtelijke hoek; het strafrecht vormt immers het sluitstuk van corruptiebestrijding. In constitutioneel perspectief — in de basis van regels en wetten — tast corruptie het legitimiteitsfundament van de staat aan. De staat ontleent zijn gezag niet uitsluitend aan verkiezingen, maar aan het vertrouwen dat publieke macht wordt aangewend ten dienste van het algemeen belang.

Is corruptie diefstal? Het onderscheid tussen diefstal en corruptie is hier wezenlijk. Diefstal is een horizontale inbreuk tussen burgers. Corruptie is een verticale ontsporing: het misbruik van publieke macht door functionarissen die handelen namens de staat. Waar diefstal individuen schaadt, ondermijnt corruptie het institutionele vertrouwen waarop de rechtsorde rust en schaadt zij de gehele gemeenschap.

Wanneer studenten massaal de straat op gaan, duidt dit doorgaans op een erosie van dat vertrouwen. Het gaat dan niet slechts om onvrede over beleid, maar om een perceptie dat het systeem zelf niet langer neutraal of rechtvaardig functioneert. Dat hard studeren of werken geen zin meer heeft. Dat erkende diploma’s geen waarde meer hebben. Dat de toekomst van mijn kinderen niet gegarandeerd is. Dat studiekosten, ziektekosten en een goed pensioen verdwijnen in de zakken van de macht.

Staatsvorm en degeneratie
De klassieke staatsrechtelijke theorie — reeds bij Aristoteles — onderscheidt drie fundamentele bestuursvormen: heerschappij door één (monarchie, dictatuur), door enkelen (aristocratie) en door velen (democratie). Elke vorm kent een deugdzame en een gedegenereerde (ontaarde) variant. Monarchie kan ontaarden in tirannie; aristocratie in oligarchie; democratie in wat later ochlocratie is genoemd: de heerschappij van de massa zonder normatieve begrenzing.

Het criterium dat de positieve van de negatieve variant scheidt, is niet het aantal machthebbers, maar de gerichtheid van het bestuur: wordt het algemeen belang gediend, of prevaleert het particuliere belang — het nepotisme — van machthebbers of deelgroepen?

Corruptie is bij uitstek het symptoom van degeneratie. Zij manifesteert zich wanneer publieke ambten worden aangewend voor private bevoordeling. In een oligarchische context geschiedt dit openlijk ten gunste van een beperkte elite; in een tirannieke context ten gunste van één machtscentrum; in een degenererende democratie via subtielere vormen zoals cliëntelisme, patronage en beleidsbeïnvloeding door financiers.

Ismaël Kalaykhan