Overheidsbemoeienis slecht voor staatsbedrijven (2)
28 May, 10:41
foto


In reactie op mijn artikel ‘Overheidsbemoeienis slecht voor Staatsbedrijven én Consumenten’ stelt John Schuster dat de vrije markteconomie ongelijke zegeningen heeft gebracht, onder andere voor Latijns-Amerika. John Schuster betoogt dat een arme economie, zoals de Surinaamse, het zich niet kan permitteren om alles over te laten aan de vrije markt. De staat zou zich niet afzijdig moeten houden, maar juist moeten ingrijpen in de markt en staatsbedrijven moeten dwingen om hun efficiency te vergroten en om hun productieprocessen te stroomlijnen. Ook zou de overheid de prijzen van consumentenproducten moeten controleren.

De historie laat echter zien dat het beheer en bestuur van staatsbedrijven politiek altijd moeilijk ligt. Opeenvolgende regeringen worstelen met de aanhoudende uitdagingen bij het effectief beheer en goed bestuur (good governance) van staatsbedrijven. Het is zelden gelukt om deskundige personen aan te stellen in de directies of om non-valeurs uit het overheidsapparaat of uit raden van commissarissen te houden. Bovendien is het geen enkele regering gelukt om de corruptie aan te pakken. De zwakke governance (ondernemingsbestuur) van de staatsbedrijven leidt nog altijd tot wijdverspreide zorgen. Die worden mede versterkt door de grote risico’s die de staatsbedrijven met zich meebrengen voor de overheidsbegroting.

Te midden van de diepe economische crisis geeft president Chan Santokhi aan de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij  een financiële injectie van US$ 2 miljoen en steunt hij het bananenbedrijf FAI met SRD 31 miljoen. Dit geeft zuurstof aan de discussies over de instandhouding van staatsbedrijven en de overheidssteun aan deze bedrijven. Daarbij vragen velen zich ook af of staatsbedrijven überhaupt ondersteunt moeten worden, op welke manier en tegen welke prijs. Uiteindelijk is het de belastingbetaler die de staatsbedrijven subsidieert.

Adam Smith (1723-1790) wordt vaak en soms opzettelijk verkeerd begrepen. Smith zou in The Wealth of Nations’ hebben betoogd dat niets meer dan egoïsme nodig is om gunstige resultaten voor de samenleving als geheel te bereiken. In politieke debatten wordt geprobeerd om pure laissez-faire te rechtvaardigen. Maar Smith beschouwt dit beginsel 'in bijna elk opzicht als onjuist’. De werking van eigenbelang is niet gewenst, omdat het natuurlijk iedereen ten goede komt. Integendeel, dit is alleen zo als instellingen en wetten ervoor zorgen dat het eigenbelang werkt in een richting waarin het over het algemeen gunstig is.

Een van de meest radicale voorstanders van het idee van de vrije markteconomie is Milton Friedman (1912 - 2006). Zijn laissez-faire-aanpak vormde na de Tweede Wereldoorlog de basis van het Amerikaanse economische beleid. Zijn studenten (The Chicago Boys) dicteerden het economische programma onder Pinochet: staatsbedrijven werden opgeheven, belastingen verlaagd en invoerrechten afgeschaft. Vanwege de hoge economische groei werd Chili lange tijd beschouwd als een modeleconomie in Latijns-Amerika. Economische stabiliteit werd echter pas bereikt met de terugkeer naar de democratie in 1990 - en de daaropvolgende staatsinterventies. Friedman zelf stond ambivalent tegenover het vermeende 'wonder van Chili', waarin een dictatuur het volk een neoliberaal economisch programma oplegde. Zo onderging Friedman ook het lot van Smith: zijn geschriften kregen een onbedoeld eigen momentum.

John Schuster geeft zeer terecht aan dat ongebreideld liberalisme en kapitalisme in Latijns-Amerika leidde tot toename van de ongelijkheid, verdere verarming, verslechtering van de mensenrechtensituatie en ecologische rampen. Dat schrijf ik toe aan het neo-liberaal, ‘wild’ kapitalisme met de vrije markt als leidraad die door het continent vanaf eind jaren zeventig werd omarmd. Dit te ver doorgeschoten model liet weinigen profiteren en benadeelde de meerderheid. Bovendien kreeg het continent aan het eind van de vorige eeuw naast economische, ook politieke vrijheid. Veel Latijns-Amerikaanse politici dachten dat ze in een democratie straffeloos konden handelen met minachting voor het volk. Dat verklaart de crisis in Argentinië, de verkiezing van de linkse president ‘Lula’ da Silva in Brazilië en het wijdverspreid verzet in Ecuador en Peru, allemaal aan het begin van de jaren nul.

De grote Surinaamse staatsschuld maakt de privatisering van staatsbedrijven noodzakelijk. Door de instroom van nieuw kapitaal en kennis kunnen deze bedrijven succesvoller opereren. Voor de sectoren waar staatsbedrijven een dominante rol spelen, zoals de sector nutsvoorzieningen, is (nieuwe) wet- en regelgeving nodig om de consument te beschermen. Dit is nodig, omdat veel van de bedrijven belangrijk zijn voor het functioneren van de samenleving. Ook moeten burgers vrij zijn om te kiezen voor een aanbieder of leverancier.

Het politieke discours over staatsbedrijven krijgt dynamiek als eerst drie basisvragen worden beantwoord:
1. Welke waarde leveren staatsbedrijven met het geld van de belastingbetaler?
2. Hoe moet worden omgegaan met de uitdagingen en risico's verbonden aan staatsbedrijven?
3. Welke nieuwe uitdagingen brengt privatisering van staatsbedrijven met zich mee?

Vincent Roep

Advertenties

Tuesday 05 July
Monday 04 July
Sunday 03 July