Vervolging Hoefdraad is politiek ingegeven
11 Mar 2020, 08:24
foto


Vorige week deed het Hof van Justitie uitspraak in de zaak waarin het Openbaar Ministerie (OM) werd gevraagd om de minister van Financiën, de heer Gillmore Hoefdraad, te vervolgen ter zake overtreding van artikel 5 lid 2 van de Wet op de Staatsschuld. In mijn eerdere bijdrage gaf ik aan dat het strafrechtelijk onderzoek naar deze mogelijke overtreding, niet kan leiden tot het treffen van processuele maatregelen vanwege het lex mitior-beginsel. 
Daar komt nu bij dat het beklag bij het Hof van Justitie volgens het OM reeds op grond van politieke motieven van klaagster niet- ontvankelijk is. Hiermee komt voorlopig een einde aan een lange tijd van speculaties over de (strafrechtelijke) aansprakelijkheid van Hoefdraad.'

In deze zaak heeft het OM een (goed) onderbouwde weerspreking gegeven van de door klaagster geconstrueerde feiten en stelt op basis daarvan dat een “totaal verwarrend beeld” wordt geschetst en conclusies worden getrokken die “geheel onjuist” zijn. Bovendien is er in deze zaak geen “rechts normschending en zijn er derhalve geen of onvoldoende gronden voor het instellen van een strafrechtelijk onderzoek”. Wellicht de belangrijkste conclusie van de Procureur-Generaal (pg) betreft de aanwijzing dat de door klaagster aangevoerde punten kwalificeren “als politieke motieven om te ageren tegen het leenbeleid van de Regering”. “Klaagster dient geen eigen belang, maar een politiek belang”, aldus het OM. De uitspraak doet afleiden dat klaagster getracht heeft minister Hoefdraad als persoon (moreel) verantwoordelijk te maken voor gevoerd regeringsbeleid en probeert kennelijk aandacht te vragen voor de gevoelens die zouden leven binnen de maatschappij om de verantwoordelijkheid voor genomen beslissingen en begane daden toe te kennen aan één personage. 

Deze gevoelens gaan voornamelijk over een gevoel van rechtvaardigheid en houden zich niet zozeer bezig met de vraag welk soort verantwoordelijkheid nu precies genomen dient te worden. Gekeken naar de casus heeft de heer Hoefdraad altijd zijn ministeriële verantwoordelijkheid gedragen; het gaat hierbij om het uitleggen, motiveren en verdedigen van gevoerd regeringsbeleid. De conclusies die daar vervolgens aan verbonden worden – of de nationale assemblee nog wel of geen vertrouwen heeft in de bewindspersoon – zijn politieke conclusies; het wegsturen of handhaven van een minister is een politieke keuze en niet zozeer een ongeschreven regel die gekoppeld is aan het idee van ministeriële verantwoordelijkheid.

Het voorgaande betekent dat het Hof van Justitie in zijn gezaghebbende uitspraak, terecht tot de conclusie komt dat het geschil in de kern gaat over bezwaren met betrekking tot de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid door het OM. Het Hof legt uit dat hoewel aangifte kan worden gedaan door een ieder die kennis draagt van een strafbaar feit, de mogelijkheid tot het doen van beklag als bedoeld in artikel 4 Sr. beperkt is tot “rechtstreeks belanghebbenden”.  Kort samengevat kwamen de stellingen van klaagster volgens het Hof erop neer dat zij opkwam tegen het door de regering gevoerde financieel beleid (r.o. 4.6). Het Hof overweegt dat zulks geen bijzonder belang is dat objectief bepaalbaar en redelijk is en daardoor is klaagster niet- ontvankelijk in haar beklag. Een volledig begrijpelijke motivering van het Hof, aangezien het strafrecht niet bedoeld is om politiek te bedrijven of om politieke doelstellingen te behalen. 

Belangrijk is dat deze casus ons leert dat strafrechtelijke aangiften tegen de minister van financiën, en in het algemeen het “bashen” van eigen instituties in Suriname, duidelijk niet de effectieve middelen zijn die bijdragen aan het creëren van bewustzijn en positiviteit, hetgeen de betrokkenen zouden moeten beogen. Het OM beslist over vervolging en heeft het vervolgingsmonopolie. Dat betekent dat alleen het OM beslist of er vervolging moet plaatshebben of niet. Daarbij beoordeelt het OM de zaak op de componenten haalbaarheid en opportuniteit. Bij de beoordeling van de opportuniteit gaat het in deze zaak, maar ook in andere zaken tegen Hoefdraad, om de vraag of van vervolging moet worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Dat laatste lijkt wel het geval, aangezien het systematisch publiekelijk in diskrediet brengen van de minister van financiën, maar ook het (indirect) ter discussie stellen van de integriteit van het OM, dan wel het in twijfel trekken van de bankiersvereniging, of het neerhalen van de Centrale bank van Suriname, in beginsel a- nationale handelingen zijn. 

Daardoor blijft de vertrouwenscrisis in Suriname sterk beïnvloed door zedenpreken over “schuld” en “boete”, terwijl het zou moeten gaan over “fundamentele hervormingen” en “economische groei”. Een dergelijke morele houding, instede van een pragmatische opstelling,  bemoeilijkt het vinden van oplossingen voor de diepe verdeeldheid die wordt gezaaid in alle lagen van de samenleving, en is als zodanig een serieus beletsel voor partij overstijgende samenwerkingen, vooral na 25 mei 2020, in het belang van de ontwikkeling van Suriname.

mr.drs. Ashvin G. Gonesh 
De auteur is (financieel) jurist en bedrijfskundige te Rotterdam. Hij is co-auteur van het boek ‘Grondlijnen voor een nieuwe financiële ethiek’ en auteur van Public Diplomacy: Improving Practice, uitgegeven door Clingendael - the Netherlands Institute of International Relations.
Advertenties