Column: Politieke Borrelpraat 391
21 Jan, 22:48
foto


“Heren, heren, de ziekenzorg in ons land is goed ziek.”
“Het piept en het kraakt; die ziekenzorg stort een van die dagen nog in elkaar.”
“O, ik hoor dat je ook naar dat Kringgesprek op de Alfabetische zender hebt geluisterd.”
“Ja, een heel duidelijk en openhartig gesprek met die Voogdspecialist en die ziekenhuisdirecteur. Ron, yu leki paarse man, heb je ook geluisterd?”
“Natuurlijk, en laat mijn politieke kleur erbuiten als het om de gezondheidszorg gaat.”
“Dus je bent het met de gastsprekers eens dat het slecht gaat met onze ziekenzorg?”
“Zeer zeker, maar waar ik een gloeiende hekel aan heb is dat bepaalde panelleden elke gelegenheid te baat nemen om de schuld van alles weer eens te geven aan mijn voorzitter, mijn glorieuze leider, mijn held van de revol…”
“Ja, ja, en ik heb een gloeiende hekel aan dat ophemelen van welke politieke leider dan ook. Vooral als ze allemaal schuldig zijn aan de rotzooi waarin we ons nu bevinden.”
“En waar ík een hekel aan heb is dat overheidsmedia worden misbruikt om de bevolking te misleiden met gemanipuleerde informatie.”
“Daarom is eentje toch uitgeroepen tot Mister miss Leiding, met kroontje en al.”
“En een ander kan worden uitgeroepen tot Master Djotoloog; die lanceert dé masterblaster-leugen van het jaar, namelijk dat die skalians op het stuwmeer bezig zijn modder te zuigen om die te ontdoen van kwikafval.”
“Wat maakt die goed opgeleide jongeman zich hiermee toch onsterfelijk belachelijk! Een minister is ‘a public servant’, niet een publiekelijke leugenaar.”
“Wat men niet allemaal doet om z’n positie als minister te behouden, mijn hemel. Zou ik ook zo doen als ik daar zou zitten? Mezelf, m’n gezin, m’n familie, m’n vrienden zo te schande zetten met zulke doorzichtige leugenpraat? Gelooft hij echt dat we deze kronkelpraat gaan slikken? Foei toch!”
“Wie met pek omgaat….”
“Maar ik ben het wel met Ron eens dat de huidige crisis in de Zorg echt niet alleen de schuld is van deze regering en de vorige. Het is een opeenstapeling van wanbeleid zeker sinds de jaren negentig van de vorige eeuw.”
“Ben ik helemaal met je eens. Maar je bent het wel met ons eens dat het de afgelopen jaren toch wel de spuigaten begint uit te lopen.”
“En dat het nu geen zin heeft de beschuldigende vinger naar elkaar te wijzen; we hebben nu, op korte termijn, maatregelen nodig en daarna maatregelen op de langere termijn.”
“Sowieso, absoluut. Maar het is toch een grote onzin dat de ziekenhuistarieven bij wet worden vastgesteld, alleen maar om populistische redenen: het arme volk mag niet gebukt gaan onder hogere ligdagtarieven.”
“Maar prijzen op andere fronten mogen wel à la dol stijgen, inderdaad, dat klopt van geen meter.”
“Zolang het populisme de boventoon in ons regeerbeleid blijft voeren, zo lang regeerders weigeren impopulaire maatregelen te nemen omdat ze vrezen voor stemmenverlies, gaat deze rotzooi op verschillende fronten blijven.”
“Dus de ziekenhuistarieven zullen omhoog moeten gaan?”
“Absoluut. En hoe langer men wacht, hoe erger die klap gaat worden.”
“Dan zullen de premies voor het ziekenfonds ook omhoog moeten gaan.”
“Natuurlijk! Mijn gunst mang, dat ziet toch elk kind van de lagere school al?”
“Maar dan gaan tante Lena en baas Leendert, Baab en Mai, Singotiko en Ma-e en Baala en Baliena meer moeten dokken.”
“Liever met z’n allen nu wat meer dokken, dan straks met z’n allen verstoken zijn van betrouwbare medische zorg. Men opereert bijvoorbeeld met opnieuw gebruikte wegwerphandschoenen, omdat de leverancier van handschoenen eerst betaald wilt worden voor ettelijke voorgaande leveringen.”
“Klopt, en hetzelfde geldt voor vele andere medische spullen en medicijnen.”
“Dan mag die minister Tengpengeleng stoere taal uitstoten dat de medici met hun betalingseisen de overheid en het volk in gijzeling nemen, maar daarmee verergert hij de ziekte, net als die schreeuwlelijkerds op onderwijs en op justitie deden.”
“Nou, zeg wat je wilt, maar die zeiden vaak de waarheid.”
“Ja, maar zo voer je geen overheidsbeleid, public service, uit. Je kweekt meer weerstanden dan wat anders.”
“En nu zit er eentje op Cultuur die net als de rest daarboven wel hoort maar niet luistert.”
“Helaas, ze doen net als schepen die in de mist terechtkomen: hoe meer ze de koers kwijtraken, hoe harder ze op hun misthoorn blazen.”
“Ja, maar die Specialistische Voogdman kan wel heel mooi intellectueel en wijs praten, maar hij speelt ook een beetje masra Gado, want hij kan in de toekomst kijken door te stellen dat het in loondienst nemen van de specialisten niet zal werken.”
“Misschien bedoelt hij: ‘ik wil niet dat het gaat werken, want dan is het afgelopen met mijn bijna belastingvrij inkomen. Stel ik verdien nu met SZF en particulier als specialist zo een 30.000 srd per maand, als ik in loondienst moet gaan, moet ik zeker 60.000 srd verdienen per maand, wil ik na aftrek van de belastingen diezelfde 30.000 overhouden.”
“Tja, maar dan zal een ieder duidelijk worden hoeveel die lui al die tijd hebben verdiend, want ze gaan niet terug willen gaan in verdiensten als ze in loondienst komen.”
“Ik zeg: geef ze dat salaris, laat iedereen weten wat ze verdienen, waarom moet dat zo schimmig geheim blijven; ze betalen dan netjes belasting en een ieder weet waar die aan toe is. Als dat in het buitenland al jaren zo kan, waarom kan dat hier maar niet?”
“Omdat dat daar een geordende samenleving is.”
“O, dus wij moeten maar die ongeordende populistische bananenkolonie blijven waar een ieder maar z’n slag slaat en het land als totaliteit blijft steken in de modder?”
“Dus daarom moeten nu zelfs Belgen voor miljoenen euro gehaald worden als consultants om ons lager onderwijs te hervormen. Wij zijn daar te stom voor, we weten niets daarover en we worden weer gekoloniseerd juist door degenen die met grote smond bakra basi uitscholden.”
“P’a egi kennis de?”
“P’a egi waardering de?”
“P’a set’a kondre bun, de?”
“Heren, wattebout het drama van die babysterfte op de intensive care van AZ, door een ziekenhuisbacterie.”
“Tja, daar gaan we weer: pas als de baby’s overleden zijn, gaan we opeens alles schoonmaken en het personeel trainen op betere hygiëne en met allerlei achteraf gepraat op de tv komen.”
“We kunnen onze wapenspreuk beter veranderen in: “Alszoo het Kalvus Verdronkenus issus, dempto mensae los puttos.”
“Jij bent alcoholicus lulliatamus barbarium nullus, kletskous dus. Spot niet met onze wapenspreuk.”
“Hij heeft ergens gelijk: Vrouwe Justitia is de macht over het stuur kwijt en heeft stomdronken een oude fietser poti met paal en al doodgereden; Piëtas ligt in de couveuse en moet beademd worden en Fides is uit pure wanhoop het land uitgevlucht.”
“Met al die mosterd na de maaltijd heeft niemand ons kunnen uitleggen wat een ziekenhuisbacterie is en hoe die ontstaat.”
“Tuurlijk niet, want dan kom je op het ware probleem, namelijk een verwaarloosd en vervuild ziekenhuis, vraag maar aan Rikkie Stootgard.”
“Doktoren schrijven al jaren te snel antibiotica voor en patiënten maken die kuur vaak niet af, terwijl dat nadrukkelijk wordt gezegd om dat te doen. Ze stoppen halverwege als zij zich beter voelen.”
“Is toch goed? Waarom moet je die antibiotica tot de laatste tablet door blijven slikken?”
“Dan maakt je niet al die slechte bacteriën dood, er blijft een restantje over, je wordt beter, je lichaam heeft ze onder controle, maar jij draagt een bacterie met je mee die resistent is geworden tegen een bepaalde antibiotica.”
“Dus zo kunnen zich in een ziekenhuis door de jaren heen bacteriestammen ontwikkelen die resistent zijn tegen de meeste of zelfs tegen alle bestaande antibiotica. Gebeurt ook in het buitenland.”
“Maar als er zulke ziekenhuisbacteriën ontstaan, dan zou iedereen in dat ziekenhuis toch doodgaan?”
“Nee mang, gelukkig niet. Het zijn vooral degenen met een zwakke weerstand die het eerst eraan gaan, zoals te vroeg geboren baby’s of mensen die een zware operatie achter de rug hebben.”
“Daarom was de behandeling in de ziekenhuizen vroeger anders; er waren toen geen peperdure medicijnen, apparaten, doktoren en specialisten.”
“Wat was bijvoorbeeld heel anders?”
“Het eten. In het sublieme boek van André Loor kwam ik toevallig de dagelijkse voedingslijst van het Militair Hospitaal, rond 1865 tegen. Jullie geloven het niet wat de patiënten toen te eten kregen.”
“Oh Ne-der-land, geef me rijst met kouseband, oh…”
“Sjaak, niet zingen. Op zondag kregen ze: Soep met vers beestenvlees, ja ze bedoelen natuurlijk rund of varken.”
“Heb je dat waterig, onaantrekkelijk en smaakloos kommetje soep gezien wat de hedendaagse patiënten vaak krijgen? A meti no de fu feni, a tik futu of a smelter.”
“Pe je wroko, drape yu’m nyang, tok?”
“Onderbreken jullie me niet, wil je? Dus vleessoep met daarin gort of rijst; vervolgens een schotel groenten, en als dessert een snee brood en bananen. Volgens mij bedoelen ze bacoven.”
“Yongu, bijna wil ik ook ziek worden om dit lekker eten te nuttigen.”
“Maandag: een brafu van tayer, zeker snees-taya, of bananen, met gezouten of gerookte spek en weer dat vitaminerijk dessert.”
“Ongelooflijk. En wat was er dinsdag?”
“Napi brafu of gerookte peesjes, met gezouten vlees of gezouten spek en weer dat toetje. Woensdag was er soep met gort en rijst en met verse spek en groenten. Donderdag: Gesneden vlees met een dikke koek, dus niet een dunne plak, omdat de rest mooi in de tas mee naar huis werd gebracht. En vrijdag: Gezouten of gerookte spek met peesjes of zevenjaarsbonen of kool met weer dat toetje weer.”
“Wat zijn zevenjaarsbonen?”
“Volgens mij sebiyari. Zie je niet zo vaak meer, tegenwoordig. Gezond no m…”
“Klopt, maar met onze schaarse deviezen importeren we liever groenten, jawel, lekker buitenlands, toch?”
“Ja, ja, meneer de nationalist, dan ga sebiyari planten, nò?”
“Kibbelen we weer zoals in A-sem-lee? En tenslotte zaterdag: Gekookte bakkeljauw met saus van boter en azijn, met rijpe of gekookte bananen. Is heer’heri. En als toetje gerezen pannenkoek.”
“Ik sta paf van dit drie- tot viersterrenvoedsel, gezond, vers, vitaminerijk, elke dag krachtige soep, want dat neemt het lichaam snel op.”
“Vroeger ging men er terecht van uit dat het snel opbouwen van de eigen weerstand door krachtig voedsel de beste kans is op een snelle genezing van zowat de meeste ziekten. Medicijnen zijn daarbij een hulpmiddel.”
“Nu leunt men eerder op geneesmiddelen. Een dokter die vers fruit of een stevige brafu tegen een griep of zelfs dengue voorschrijft, wordt uitgelachen; hij moet medicijnen voorschrijven. Dan pas is hij een goeie dokter.”
“Laat men alvast proberen deze menulijst uit 1865 weer na te volgen. En zeker ook voor de bejaardentehuizen, want wat men de oudjes daar vaak te eten geeft, is ook niet veel beter. Daarom zien ze er vaak zo ondervoed uit, terwijl ze ook daar, net als in het ziekenhuis, behoorlijk betalen voor de zorg.”
“Daarom brengen bezoekers vaak allerlei etenswaren voor hun patiënten of bejaarden mee, vaak juist wat ze niet mogen eten, zoals sterk gekruid of te zout voedsel.”
“P’a sopi de? Jullie babbelen teveel. Kon dringi, dan w’e tik wan taxi go na oso.”
“Neem je een boro taxi, 1600?”
“Zie je wat we goed kunnen? Boren!”
“Tide, tamara, w’e boro moro fara.”

Rappa

Saturday 23 June
Friday 22 June
Thursday 21 June