De discussie over de opleiding Geneeskunde aan de Anton de Kom Universiteit gaat vaak over één getal: dertig. Dertig studenten mogen worden toegelaten, terwijl de belangstelling veel groter is. In het studiejaar 2025-2026 meldden zich 117 kandidaten aan en werden er slechts 30 toegelaten. Over de periode 2020-2021 tot en met 2025-2026 waren er 873 aanmeldingen en 301 toelatingen. Gemiddeld kon dus maar ongeveer een derde van de kandidaten beginnen. Dit blijkt uit een recente studie over de artsenopleiding.

Dat zorgt begrijpelijkerwijs voor frustratie. Jongeren die arts willen worden, zoeken, indien hun ouders zich dat financieel kunnen veroorloven, hun heil buiten Suriname, onder meer in Cuba, Servië, Nederland en andere landen. Maar het probleem is groter dan alleen de vraag wie wordt toegelaten. De recente studie over de artsenopleiding maakt duidelijk dat het land eigenlijk met een veel groter systeemprobleem zit.

Daarbij moeten twee begrippen goed uit elkaar worden gehouden. De Numerus Fixus gaat over hoeveel artsen het land nodig heeft. De Numerus Clausus gaat over hoeveel studenten de universiteit met de beschikbare docenten, lokalen, laboratoria, practica en klinische opleidingsplaatsen verantwoord kan opleiden. Die twee cijfers moeten volgens de studie jaarlijks naast elkaar worden gelegd. Dat gebeurt kennelijk nog onvoldoende. Ook in de presentatie die over deze studie aan de president is gegeven, wordt aanbevolen de Numerus Clausus jaarlijks af te stemmen op de Numerus Fixus.

Tot en met 2023-2024 werden jaarlijks ongeveer 60 studenten toegelaten. Daarna werd dat aantal teruggebracht naar 30. De studie laat opmerkelijk genoeg zien dat een structurele opleiding van 30 studenten per uiteindelijk afgeleverde arts duurder kan zijn dan een gecontroleerde opleiding van 60. Bij 30 studenten wordt de middenraming geschat op ongeveer SRD 7,7 miljoen per afgeleverde basisarts. Bij 60 studenten is dat circa SRD 3,9 miljoen. Dat komt doordat een groot deel van de kosten van de opleiding toch blijft bestaan.

Maar daaruit mag niet de conclusie worden getrokken dat we morgen zonder meer 60 studenten kunnen toelaten. Want juist daar ligt een volgend probleem: de capaciteit ontbreekt. Vooral de co-schappen vormen een harde grens. Studenten moeten in ziekenhuizen en andere zorginstellingen praktijkervaring opdoen onder begeleiding. Er zijn ongeveer 30 tot 40 co-schapsplaatsen, terwijl er 79 co-assistenten actief zijn en 24 wachten. Daarachter komt nog een grote groep studenten die de klinische fase nadert. De presentatie aan de president waarschuwt nadrukkelijk dat verruiming van de instroom zonder uitbreiding van de co-schappen de wachttijd en het risico voor de kwaliteit vergroot.

Dat is de vreemde situatie. Aan de voorkant worden jongeren geweerd omdat er onvoldoende opleidingscapaciteit is. Aan de achterkant lopen studenten vertraging op omdat er onvoldoende praktijkplaatsen zijn. Daar komt nog een belangrijk punt bij. De studie laat zien dat niet alle groepen jongeren in gelijke mate de poort van Geneeskunde bereiken. Dat moet niet worden aangegrepen voor een etnische strijd of voor quota. Het rapport waarschuwt daar juist voor. Het probleem begint vaak veel eerder: bij schoolkwaliteit, de keuze van het vakkenpakket, toegang tot natuurwetenschappelijke vakken, taal, begeleiding, financiële mogelijkheden, vervoer en huisvesting. In de presentatie aan de president wordt daarom nadrukkelijk gesproken over geen quota of normverlaging, maar wel vroeg in de schoolroute onderzoeken waar talent de weg naar de medische opleiding niet bereikt.

Terecht wordt benadrukt dat de overheid niet pas moet ingrijpen wanneer een jongere zich bij de universiteit aanmeldt. Begeleiding moet al op de middelbare school beginnen. Leerlingen moeten vroeg weten welke vakken nodig zijn om later Geneeskunde te kunnen studeren. Scholen moeten voldoende natuurwetenschappelijk onderwijs aanbieden. Jongeren in alle districten moeten dezelfde kans krijgen om zich goed voor te bereiden. Zonder gericht beleid worden groepen feitelijk uitgesloten, niet omdat zij minder talent hebben, maar omdat zij onderweg minder kansen krijgen.

Ook nadat studenten zijn toegelaten, moet beter worden gevolgd wat met hen gebeurt. Wie loopt vertraging op? Wie valt uit? Wie heeft financiële problemen? Wie wacht op een co-schap? Retentie is net zo belangrijk als toelating. De discussie moet daarom niet blijven steken bij dertig of zestig plaatsen. Suriname moet eerst bepalen hoeveel en welke artsen het werkelijk nodig heeft en waar die nodig zijn. Daarna moet het land zorgen voor voldoende opleidingscapaciteit, co-schapsplaatsen, begeleiding vanaf de middelbare school en beleid om studenten die eenmaal zijn begonnen ook daadwerkelijk tot arts op te leiden.

Want als talent bij de poort wordt geweerd, onderweg verloren gaat of door gebrek aan capaciteit jaren vertraging oploopt, ligt het probleem niet bij de student. Dan schiet het systeem tekort.

Nita Ramcharan