Suriname wil zijn oorspronkelijke bewoners beschermen. Dat klinkt sympathiek, ware het niet dat de Inheemsen er al waren voordat er een Staat bestond die hen kon beschermen. Misschien beginnen we daarom aan de verkeerde kant: de erkenning van onze pre-existente rechten ís de bescherming.

Dat is in wezen wat VIDS zegt met het verzoek de Wet Bescherming Woon- en Leefgebieden niet af te kondigen. Een beschermingszone rond een dorp kan nuttig klinken, maar een traditioneel territorium is geen verzameling huizen met wat bos eromheen. Het omvat de rivieren, jacht- en visgronden, kostgronden, heilige plaatsen en alles waarmee generaties hun bestaan hebben opgebouwd. Bescherming zonder erkenning daarvan dreigt vooral een voortzetting van een koloniaal wingewest te zijn.

Erkenning verandert namelijk wie er aan tafel zit vóórdat over grond, bos, water of concessies wordt beslist. Wanneer pre-existente rechten juridisch het vertrekpunt zijn, kan de Staat een traditioneel territorium niet langer behandelen als vrij beschikbare domeingrond en pas achteraf vragen wat de bewoners ervan vinden. Dan worden inspraak, toestemming en bescherming geen gunst nadat de plannen zijn gemaakt, maar voorwaarden voordat er wordt beslist. Precies daarin zit de bescherming: wie het oudste recht erkent, begrenst automatisch het jongere recht.

Op 28 augustus werd bij de Surinaamse ambassade in Den Haag de petitie “Stop de vergiftiging van Mama Sranan” aangeboden, nadat zich een milieuramp voltrok in de Saramaccarivier. De vissen waren niet het verhaal. Ze waren het eerste persbericht van de rivier en verleenden quorum voor Alarm.

Daarom gaat dit uiteindelijk niet over vijf of tien kilometer, maar over veel ongemakkelijkere vragen: van wie was het land voordat de Staat zichzelf eigenaar noemde? Met welk recht kan zij vervolgens beschikken over gebieden waarop oudere, pre-existente rechten rusten? En als inmiddels zichtbaar is wat ongebreidelde exploitatie met bossen, rivieren en gemeenschappen kan doen, hoe kan die vernietiging dan nog verder worden toegelaten — en wie neemt daarvoor uiteindelijk de verantwoordelijkheid tegenover de generaties die na ons komen?

Pre-existente rechten zijn geen cadeau van de Republiek. De Republiek arriveerde later. Het Kaliña en Lokono-vonnis heeft bovendien allang duidelijk gemaakt dat collectieve territoriale rechten niet eeuwig in de wachtkamer mogen blijven zitten. Na zoveel vonnissen, overleg en beloften kan niemand nog geloofwaardig beweren dat de Staat niet weet wat zij moet doen. De vraag is waarom het nog altijd niet gebeurt.

En misschien vertellen VIDS en de petitie in Den Haag daarom precies hetzelfde verhaal. Je kunt een rivier niet werkelijk beschermen terwijl je het territorium waardoor zij stroomt juridisch blijft behandelen alsof de oudste rechten daarop nog moeten worden uitgevonden. Erken onze pre-existente rechten. Soms is rechtvaardigheid verrassend eenvoudig. De Staat hoeft niet te geven wat nooit van haar was. Zij hoeft het alleen eindelijk te erkennen.

Tadzio Sarijoen