Het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) start in maart met een landelijke reeks trainingen voor jonge en startende ondernemers die zich willen toeleggen op de pluimveesector. Met het initiatief wil de overheid de binnenlandse kipproductie opvoeren en de afhankelijkheid van import terugdringen.

Ruim 65 procent van de kip die in Suriname wordt geconsumeerd wordt geïmporteerd, terwijl slechts ongeveer 35 procent uit lokale productie komt. Dat moet veranderen. “Meer eigen productie betekent minder import. Daar werken we gericht naartoe,” zegt minister Mike Noersalim. Het ministerie voert hierover een continue dialoog met de sector.

Het trainingsproject begint in Saramacca en zal stapsgewijs worden uitgerold naar alle districten. Er is geen maximum gesteld aan het aantal deelnemers, maar kandidaten zullen wel worden gescreend. “We willen voorkomen dat we mensen trainen die uiteindelijk niets met de opgedane kennis doen,” benadrukt Noersalim.

De minister ziet pluimveehouderij als een laagdrempelige instap voor jonge ondernemers. In vergelijking met sectoren zoals runderteelt vergt het houden van kippen een relatief beperkte investering. “Sommigen hebben al hokken, anderen hebben ooit eens gekweekt. Wij nemen het op ons om ervoor te zorgen dat zij de juiste kennis krijgen. Alles staat of valt met goede begeleiding,” aldus de minister.

Naast training zet LVV ook in op betere toegang tot financiering. Startende ondernemers kunnen terecht bij onder meer het Nationaal Ontwikkelingsfonds voor Agribusiness (NOFA) en een speciaal jongerenfonds bij de Nationale Ontwikkelingsbank (NOB). Tegelijkertijd wil het ministerie stimuleren dat beschikbare gronden beter worden benut. “Er zijn nog te veel mensen met terreinen die niet volledig worden gebruikt. Zij kunnen meer halen uit hun areaal,” zegt Noersalim.

Die bredere productieverhoging moet ook andere agroprojecten ondersteunen. Zo wordt gewerkt aan de opzet van een markoesaverwerkingsfabriek op het complex van de Melkcentrale, waarvoor voldoende aanvoer van fruit noodzakelijk is. In Saramacca is LVV al in gesprek met grotere boeren die tientallen hectaren markoesa telen, maar ook met bewoners die op hun achtererf eenvoudig fruit kunnen planten. Dit project maakt deel uit van een programma dat mede wordt ondersteund door de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB).

Daarnaast zijn afspraken gemaakt met granman Aboikoni van de Saramaccaners om twee gezamenlijke projecten uit te voeren. Het eerste richt zich op het houden van zogenoemde oso fowru (lokale kippen), terwijl het tweede de teelt van hooglandrijst betreft, een gewas dat veel voorkomt in het Boven-Surinamegebied.

Volgens Noersalim past deze aanpak binnen een bredere strategie om per district te kijken naar de specifieke mogelijkheden en sterke punten. “Zo bouwen we stap voor stap aan een productievere agrarische sector en meer voedselzekerheid voor Suriname.”