Column: Terugroeprecht en democratie
08 Jun, 00:59
foto
Hans Breeveld


Met de invoering van de grondwet van 1987 werd de mogelijkheid tot het uitoefenen van het terugroeprecht in Suriname een feit. Via verschillende kanalen heb ik sindsdien mijn ernstige twijfels kenbaar gemaakt over deze rariteit. Zo schreef ik in 1992 in een publicatie Wissele Mammie… dat je een staatsrechtelijke duivelskunstenaar zou moeten zijn om de organieke wet te maken zonder het stempel “antidemocraat” opgedrukt te krijgen.

In 2005 verscheen die wet, ondanks veel twijfels over het nut, maar vooral mogelijk misbruik daarvan. Een politieke spraakverwarring - die tot vandaag voortduurt - was het gevolg. Afhankelijk van de positie die politici innemen – al dan niet behorend tot de coalitie of oppositie – wordt de wet als nuttig of als overtollig ervaren. Voor zover mij bekend is nooit eerder een wet met zoveel opportunisme gepaard gegaan.

Het lijkt mij dat te lichtvaardig omgesprongen is met fundamentele vraagstukken betreffende dit recht. Één daarvan is: Wie heeft de bevoegdheid volksvertegenwoordigers terug te roepen? Zijn het de partijleden, de partijleiding of de kiezers? De partijleden en de -leiding zouden dat zeker niet mogen zijn. Personen worden door een politieke partij voorgedragen en kandidaat gesteld, maar ze worden verheven tot volksvertegenwoordigers door het verkrijgen van voldoende stemmen van het electoraat, de kiezers. Het overgrote deel van het electoraat is echter geen lid van welke politieke partij dan ook. Het volk – dat is een entiteit groter dan de kiezers alleen – wordt in De Nationale Assemblee door deze volksvertegenwoordigers gerepresenteerd.

Het ondemocratische aspect van deze wet is dat partijbonzen middels drogredenen - met deze wet in de hand - zich zouden kunnen ontdoen van volksvertegenwoordigers die volgens hen niet in het gareel lopen. Het kan zelf zo driest zijn dat volksvertegenwoordigers, omdat zij het volksbelang en niet het enge belang van partijbonzen wensen te behartigen, het veld moeten ruimen.

Partijstructuren kunnen controle uitoefenen op hetgeen door volksvertegenwoordigers te berde wordt gebracht, maar dat de volksvertegenwoordigers van mening mogen verschillen met deze partijstructuren daar is niets fout aan. De tijden zijn reeds lang vervolgen waarbij personen hun streek of gebied vertegenwoordigden op basis van last en ruggespraak. In onze dagen is het zelfs de vraag of het terugroeprecht niet op gespannen voet staat met artikel 56 van de grondwet, waarin staat dat de leden van De Nationale Assemblee voor een zittingsperiode van vijf jaren gekozen worden. Het lijkt mij dat ook met de eed c.q. verklaring en belofte die de volksvertegenwoordigers afleggen bij het aanvaarden van hun ambt, zoals geformuleerd in art. 65 van de grondwet dit recht op gespannen voet staat.

In een democratie is het debat, het botsen van mening essentieel. Het vereist scholing en vorming zodat op basis van gedegen argumenten deze botsing van meningen kan plaatsvinden. De voorzitter of leiding van een partij moet er niet vanuit gaan a priori gelijk te hebben bij een verschil van mening met een lid of leden van de partij. Mocht een parlementariër fundamenteel van mening verschillen met de partijleiding en of met delen van het electoraat dan is de eerstvolgende verkiezing vroeg genoeg om duidelijkheid te brengen in het feit of het electoraat zich nog voldoende vertegenwoordigd voelt door deze volksvertegenwoordiger. Aangenomen natuurlijk dat deze weer door zijn of haar partij gekandideerd wordt.

In plaats van de reactieve bombari om het terugroepen van volksvertegenwoordigers zouden partijen meer tijd kunnen investeren in een proactief handelen middels het versterken van de interne partijdemocratie, zoals dat in art 53 van de grondwet wordt voorgeschreven. Ik durf te beweren dat naar mate de leden en structuren van politieke partijen vaker bij elkaar komen en van gedachte wisselen de kans of noodzaak voor het moeten terugroepen van representanten van de partij kleiner zal worden. Het loont om meer te investeren in scholing en training voor de leden van politieke partijen.
We moeten er in ieder geval voor waken dat onze democratie niet verwordt tot een aristocratie.

Hans Breeveld

Advertenties

Wednesday 17 August
Tuesday 16 August
Monday 15 August