De ‘verdwenen’ valuta kasreserves zijn ‘terecht’
08 Feb 2020, 22:53
foto
Ashvin Gonesh


A A N G E B O D E N

De suggestie die wordt gewekt bij het publiek dat in de zaak omtrent de valuta kasreserve geld van burgers zou zijn ‘verdwenen’ is onjuist en bovendien gevaarlijk voor het vertrouwen in de financiële sector. Het gebruik van de kasreserveregeling door CbvS hoort bij de dynamiek van een flexibel monetair-financieel systeem dat staat of valt met vertrouwen in economisch uitdagende tijden.

In de afgelopen dagen heeft Suriname internationaal bewezen over een groot zelfreinigend mechanisme te beschikken. Het is nieuwswaardig spektakel voor journalisten en geeft politieke ruimte voor kritiek op de Surinaamse regering. In verwoede pogingen om de rust te bewaren of juist te destabiliseren, struikelen verschillende actoren in de samenleving over elkaar om de zaak uit te leggen en maken het angstbeeld bij de burger van kwaad tot erger. Immers wordt herhaaldelijk gesuggereerd dat er geld zou zijn verdwenen, notabene van burgers. Kennelijk ingegeven door maatschappelijke- en politieke druk gaat zelfs de financiële sector in Suriname mee in de eenzijdige communicatie hieromtrent. Met elkaar beschadigen de bewindslieden ter zake het vertrouwen in de beleidsmakers (in de politiek, de centrale bank), in banken en andere financiële instellingen, in bankiers, in Surinaams geld, en in de toekomst. Terwijl voor het vertrouwen in geld instituties – zoals een centrale bank– van groot belang zijn. Onjuiste informatie leidt niet alleen tot minder vertrouwen in financiële instituties, maar gaat ook gepaard met een daling van het algemeen vertrouwen tussen mensen; politiek biedt dat op korte termijn mogelijkheden maar economisch doodzonde en uiteindelijk als gevolg een beschadiging van de eigen achterban.

Het verzoek van de Centrale bank van Suriname (CBvS) aan de Surinaamse Bankiersvereniging (SBV) om een deel van de kasreserve in vreemde valuta van de banken bij CBvS te plaatsen is weliswaar in lijn geweest met internationaal gebruik, maar vooral bedacht als een pragmatische oplossing om het financieel- economische systeem als geheel in evenwicht te houden. Het instrument van deze zogenaamde kasreserveregeling ziet erop toe dat een bepaald percentage van de girale tegoeden als reserves wordt aangehouden bij de centrale bank. De reserveverplichting zal vaak een prudentieel doel dienen. Dan is de verplichting bedoeld om te zorgen dat een bank voldoende liquide middelen heeft om aan een plotselinge uitstroom van middelen te voldoen. Echter kan de verplichting ook een manier zijn om de geldhoeveelheid direct te beïnvloeden.

Ten aanzien van de vreemde valuta van de commerciële banken geldt dat het percentage dat de banken moesten aanhouden bij CBvS substantieel hoger lag dan gangbaar in andere landen, dit vanwege de overwegende dollarisering van de Surinaamse economie en de kwetsbaarheid van de eigen SRD munt. De economische motivatie om toch gebruik te maken van een dergelijke ordening is de opvatting dat in een relatief kleine economie dergelijke centralisatie juist ten goede kan komen aan de solvabiliteit van de banken in de financiële sector als geheel, omdat de centrale bank daarmee in staat voor dekking van die banken. Ook dat laatste is geen ongebruikelijke opstelling nu wereldwijd nationale overheden niet aarzelen ‘hun’ banken te redden als het nodig is middels noodoperaties. Het is daarom ook niet onbegrijpelijk dat de Surinaamse Bankiersvereniging (SBV) en de Surinaamse banken hebben meegewerkt hieraan.

Het beeld dat CBvS en/of de Surinaamse regering feitelijk het geld van de banken en/of burgers hebben toegeëigend is dus nadrukkelijk onjuist. Het geld is ook niet op mysterieuze wijze verdwenen want de vorderingen van de banken op CBvS zijn altijd blijven bestaan maar er heeft een wijziging van de schuldverhouding tussen CBvS en de banken plaatsgevonden als gevolg waarvan de banken niet direct de herleidbare valuta tegoeden in beeld hebben gehad. Anderzijds zal binnen het gebruik van de kasreserveregeling nimmer discussie kunnen bestaan over het eigendom van die gelden; die zijn van de banken en voor hen altijd opvraagbaar. De keuze(s) van de CBvS ter herverdeling van die feitelijke middelen in de reële sfeer behoort tot het prerogatief van een centrale bank en kan alleen in de context van de stabiliteit van het hele economisch systeem worden gezien. Het is daarom onbegrijpelijk dat juist in een zaak als deze niet meer bedachtzaamheid wordt betracht in uitlatingen hierover. De regeringscommissaris van CBvS Vijay Kirpalani heeft wat dat betreft als enige in deze semantische discussie correct uitgelegd dat er geen sprake kan zijn van fraude of diefstal van kasreserves.

Deze laatstgenoemde reserves van de banken worden onder alle omstandigheden gedekt door de Centrale bank van Suriname en daarmee de Surinaamse overheid. De financiële sector in Suriname en specifiek de banken hebben nu meer dan ooit vertrouwen nodig. Echter vertrouwen kan begrijpelijkerwijs niet afgedwongen worden; het moet uiteindelijk worden gegeven. Vertrouwen moet ook verdiend worden met gebleken betrouwbaarheid, door te voldoen aan gerechtvaardigde verwachtingen. Voor vertrouwen is het ook belangrijk dat onvrede geuit en besproken kan worden. Dat is de afgelopen dagen gebeurd.

Ashvin G. Gonesh
De auteur schrijft uitdrukkelijk op persoonlijke titel. Hij heeft een achtergrond in bedrijfskunde en financieel recht (Erasmus Universiteit Rotterdam), is co-auteur van het boek ‘Grondlijnen voor een nieuwe financiële ethiek’ en auteur van Public Diplomacy: Improving Practice, uitgegeven door Clingendael - the Netherlands Institute of International Relations.
Advertenties