President Jennifer Simons, de Nederlandse ambassadeurs en andere notabelen bij de kranslegging. (Foto: René Gompers)
Tijdens de herdenking van 163 jaar afschaffing van de slavernij heeft de Nederlandse ambassadeur Walter Oostelbos benadrukt dat Nederland verder wil gaan dan alleen excuses en erkenning van het slavernijverleden. Van het eerder beschikbaar gestelde budget van 200 miljoen euro is 66,6 miljoen euro bestemd voor Suriname. Het geld is bedoeld voor beleidsontwikkeling en maatschappelijke initiatieven die bijdragen aan herstel, erkenning en bewustwording.

Op verschillende locaties in Paramaribo werd woensdag stilgestaan bij Keti Koti. Bij het Kwakoe-monument, symbool van de afschaffing van de slavernij, stond tijdens de toespraken het belang centraal van historisch bewustzijn, erkenning van het geleden onrecht en de gevolgen daarvan die tot op de dag van vandaag doorwerken. Ook werd benadrukt dat jongeren meer kansen moeten krijgen om kennis te nemen van het slavernijverleden en dat geïnvesteerd moet worden in het behoud van het Afro-Surinaamse erfgoed.

Johan Roozer, voorzitter van de Stichting Comité Herdenking Afschaffing Slavernij en Onderzoek naar het Slavernijverleden, riep president Jennifer Simons op een ministerie aan te wijzen dat specifiek verantwoordelijk wordt voor het beleid rond het slavernijverleden. Daarnaast pleitte hij voor brede ondersteuning van de oprichting van een nationaal slavernijherdenkingsmonument of museum. Ook vroeg hij de regering de diplomatieke betrekkingen met landen in West- en Centraal-Afrika te versterken, omdat uit die regio's veel voorouders van tot slaaf gemaakte Surinamers afkomstig zijn.

President Simons kondigde aan zich sterk te willen maken voor een leerstoel aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname die zich richt op het slavernijverleden van tot slaaf gemaakte Inheemsen en Afrikanen. Volgens haar moet ook de geschiedenis van Afrika opnieuw worden belicht. Zij wees erop dat het continent vóór de slavenhandel beschikte over koninkrijken, rechtssystemen, wetenschap en mijnbouw, maar dat deze geschiedenis tijdens de koloniale periode grotendeels is uitgewist of onderbelicht is gebleven.

Ambassadeur Oostelbos zei dat Nederland zich inzet voor erkenning, historisch bewustzijn en gerechtigheid. Volgens hem is het slavernijverleden voor zowel Nederland als Suriname een complex en gevoelig onderwerp, mede vanwege de gedeelde geschiedenis, de culturele verbondenheid en de nauwe maatschappelijke en economische relaties tussen beide landen.

Sinds de excuses voor het slavernijverleden heeft Nederland 200 miljoen euro beschikbaar gesteld voor het Europese deel van het Koninkrijk, het Caribisch deel en Suriname. De helft van dat bedrag is bestemd voor projecten die de doorwerking van het slavernijverleden zichtbaar maken voor toekomstige generaties, onder meer via onderwijs, musea en erfgoed.

De andere helft is bedoeld voor initiatieven vanuit de samenleving, zodat nazaten en betrokken gemeenschappen zelf invulling kunnen geven aan herstel, erkenning en bewustwording.

Voor Suriname is 66,6 miljoen euro gereserveerd. Volgens Oostelbos wordt in 2026 verder gewerkt aan de besteding van deze middelen. De helft, 33,3 miljoen euro, is bestemd voor beleidsontwikkeling door de overheid. De overige 33,3 miljoen euro gaat naar maatschappelijke initiatieven vanuit de Surinaamse samenleving.