Het stakingsrecht globaal bekeken
16 Oct, 08:30
foto


Toen homo sapiens (de mens) in de bossen van de wereld rondzwierf waren er geen tegenstellingen tussen bezitters en niet bezitters, tussen kapitaal en arbeid. Iedereen moest meehelpen om voldoende voedsel voor de groep te verzamelen. Een vaste woon- of verblijfplaats was er niet. De mens was een jager/verzamelaar en leefde nomadisch. Met de komst van de agrarische revolutie ongeveer 12.000 jaar geleden begonnen mensen zich geleidelijk aan permanent te vestigen in een afgebakend gebied. De jager/verzamelaar begon met het planten van gewassen en het houden van dieren en evolueerde zodoende tot boer/veehouder. In de loop der tijden ontstonden er eigendoms- en bezitsverhoudingen, die uiteindelijk leidden tot vorming van rangen, standen en klassen. De tegenstelling kapitaal en arbeid was geboren.

Met het ontstaan van de arbeidersklasse tijdens de industriële revolutie werd de tegenstelling groter en scherper. De tegenstelling arbeid/kapitaal heeft in de geschiedenis van de mensheid geleid tot veel verzet en zelfs tot heel grote revolutionaire (maatschappelijke) omwentelingen, zoals de Franse revolutie van 1789, de Russische revolutie van 1917 onder leiding van Lenin en de Chinese revolutie van 1949 geleid door Mao Tse Tung.

Vandaag de dag worden de belangen van werknemers in hun strijd voor lotsverbetering veelal behartigd door tussenkomst van hun vakbonden. Een van de middelen die vakbond ten dienste staat is het middel van werkstaking. Staking is nu in vele landen erkend als een legitiem strijdmiddel.

In het jaar 1960 werd in Nederland het stakingsrecht in het befaamde Panhonlibco arrest erkend. De Hoge Raad (hoogste rechter in Nederland) overwoog in dat arrest dat staken onder omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn, wat onder meer het geval zal zijn wanneer de omstandigheden in een bedrijf zo slecht zijn dat werknemers hun werk redelijkerwijs niet meer goed kunnen uitvoeren.

In Suriname is het stakingsrecht vastgelegd in artikel 33 van de Grondwet, luidende als volgt:Het stakingsrecht wordt erkend behoudens de beperkingen die uit het recht voortvloeien.” Dit artikel is woordelijk overgenomen in artikel 11 lid 1 van de Wet Vrijheid Vakvereniging (S.B. 2016 no. 151). De “beperkingen” waarover in het Grondwetsartikel worden gerept zijn niet uitgewerkt in nadere wettelijke regelingen, maar vinden invulling door rechterlijke uitspraken. De beperkingen impliceren dat het stakingsrecht geen absoluut recht is. Hoewel grondwettelijk vastgelegd kan onder omstandigheden een staking als onrechtmatig worden gekwalificeerd, wat in de rechtspraktijk na rechterlijke toetsing ook regelmatig gebeurt. De toetsing vindt plaats aan de hand van in de rechtspraak ontwikkelde criteria. Door de Hoge Raad zijn na het Panhonlibco arrest in een reeks van arresten toetsingscriteria ontwikkeld die tegenwoordig als de ENERCAM formule worden aangeduid.

In de Surinaamse rechtspraak worden zaken eveneens aan de genoemde criteria getoetst. Veelal vindt een belangenafweging plaats. In de meeste vonnissen is beslist dat het belang van studenten/scholieren dient te prevaleren boven het belang van stakende leraren en zijn stakingen onrechtmatig verklaard.

Het recente vonnis van de kantonrechter in het Eerste Kanton van 8 oktober 2019 in de zaak van (wederom) stakende leraren wijkt af van in eerdere uitspraken gevolgde lijn. De kantonrechter was van oordeel dat benoemingsbeleid een aan de Staat (lees de minister van onderwijs) toekomende bevoegdheid is en “geen onderhandelbare arbeidsvoorwaarde” is. Dat bovendien niet gesteld of gebleken is dat de door minister gevolgde werkwijze “al dan niet van invloed is op overeengekomen arbeidsvoorwaarden”, aldus de kantonrechter.

Het vonnis wijkt in meerdere opzichten af van de in eerdere zaken gevolgde redenering. Allereerst baseert de kantonrechter zijn beslissing op artikel 11 lid 1 van de Wet Vrijheid Vakvereniging en niet op artikel 33 van de Grondwet, zoals het geval was in voorgaande uitspraken van de Surinaamse rechter. Voorts wekt de in het vonnis gevolgde redenering de indruk dat artikel 11 lid 1 van de wet Vrijheid Vakvereniging (het stakingsrecht) slechts van toepassing is indien sprake is van schending van een cao bepaling en/of het teniet gaan van een bij “collectieve arbeidsvoorwaardenregeling” verworven recht. De vraag rijst overigens of het handelen van overheidsfunctionarissen ook niet aan toetsing door de rechter dient te worden onderworpen in zaken waarin de overheid partij is.

Immers het uitoefenen van bevoegdheden door overheidsorganen is gebonden aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het verbod op willekeur, het beginsel van fair play, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Indien overheidsbeslissingen leiden tot onwerkbare situaties op onderwijsinstellingen kan een staking alleszins gerechtvaardigd zijn. Zowel leraren als leerlingen/studenten hebben belang bij een goede samenwerking tussen leraren en leidinggevenden op scholingsinstituten, wat impliceert dat er voldoende draagvlak moet zijn.

Willem Siwpersad
Advocaat

Het volledig artikel kunt u hier downloaden.
pdf-icon.gif Stakingsrecht_dd_15102019.pdf                

Monday 18 November
Sunday 17 November
Saturday 16 November