Deze dagen zijn we als Surinamers er getuige van geweest dat de twee goudmultinationals die actief zijn in het binnenland van Suriname, goed geboerd hebben in 2025. Newmont Suriname is met haar mijnoperaties actief in Oost-Suriname, in het Meriangebied van de Pamaka. Vanaf de afslag naar Moengo aan de Oost-Westverbinding loopt er een 90 km lange, slingerende bauxiet-laterietweg dwars door het oerwoud en over de heuvels naar de verwerkingsunits van Newmont.

Zijin Rosebel Operations heeft haar mijnactiviteiten in Centraal-Suriname, in het district Brokopondo. Dat is ongeveer 80 km ten zuiden van Paramaribo. Uit de recente berichtgeving kan worden opgemaakt dat de twee bovengenoemde goudmultinationals gezamenlijk voor het jaar 2025 ruim US$ 1,2 miljard in de Surinaamse economie hebben gestopt. Dit is een behoorlijk groot bedrag naar Surinaamse maatstaven. Vooral als we kijken naar het niveau van onze macro-economische indicatoren, zoals import, export, deviezenreserves bij de Centrale Bank van Suriname, bruto nationaal product, netto nationale investeringen, et cetera. Voorts kunnen we hieruit concluderen dat de waarde van het goud dat aan het binnenland is onttrokken, een veelvoud is van dit bedrag.

Een eerlijke vraag die wij ons allemaal moeten stellen, is hoeveel procent van deze US$ 1,2 miljard concreet, effectief en zichtbaar is teruggevloeid in termen van structurele en duurzame ontwikkeling in het binnenland.

Het binnenland en de binnenlandbewoners blijven letterlijk en figuurlijk aan de periferie van dit schouwspel en raken steeds verder in verval, terwijl de multinationals op een zakelijke en constructieve wijze werken aan het realiseren van hun strategische doelen. Hier is het gezegde van toepassing: terwijl het gras groeit, sterft het paard. In het verlengde daarvan wordt de staatskas van de overheid flink gespekt. De kanalisatie van financiële middelen naar de oorspronkelijke gebieden is helemaal niet transparant. Ook als we het ontwikkelings- en welvaartspeil van die gebieden in ogenschouw nemen, vinden we geen aanleiding om aan te nemen dat er in voldoende mate middelen worden gestopt in de ontwikkelingstransformatie van het achterland. Wat we steeds weer tot vervelens toe horen, is dat er geen middelen zijn.

Nu zien we dat de middelen er wel zijn, maar het gaat erom dat de bereidwilligheid er niet in voldoende mate is bij degenen die de prioriteitsstelling aansturen. Wat er moet gebeuren, is dat vanuit de regering een duidelijke ontwikkelingsvisie en beleid worden geformuleerd en op basis hiervan een deel van de fiscale middelen uit de goudsector wordt gereserveerd voor de ontwikkelingsfinanciering van het binnenland. Terwijl de Surinaamse gemeenschap het maatschappelijk debat voert over de milieudegradatie, worden alle rijkdommen van het binnenland weggedragen. Met de ontginning van bauxiet, decennia terug, was het niet anders gesteld. Nu is het goud. De penibele kwesties rond de goudmijn van Zijin in het district Brokopondo zijn zeer actueel. De ordening kan maar niet op gang komen, omdat er ook conflicterende en controversiële belangen spelen. Niemand komt met een masterplan voor een integrale aanpak van de porknokkers.

Daarnaast blijven de modernisering en financiering van onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur, et cetera in het binnenland uit. Dit zijn juist de maatstaven voor ontwikkeling, welvaart en welzijn. Voor een adequaat en veilig transport van personen en vracht naar en vanuit het binnenland zou het binnenland infrastructureel moeten worden ontsloten. Aanleg van een weg vanaf Atjoni naar het Tapanahonigebied zou heel wat logistieke uitdagingen uit de weg kunnen helpen. Ook het verharden van de wegstrekkingen tussen Moengo en Langatabiki en Atjoni en Poesoegroenoe zou een enorme stimulans kunnen geven aan de productie en productiviteit, met minimaal verlies aan manuren in het achterland. Ook zouden de fysieke onderwijsfaciliteiten, zoals schoolgebouwen en leerkrachtenwoningen, versneld moeten worden verbeterd en uitgebreid. Verder is een kwantitatieve en kwalitatieve aanpak van de medische zorg nodig, evenals optimale begeleiding van lokale dorpsgemeenschappen om hun verdiencapaciteit te verhogen door een betere aanpak van hun commerciële activiteiten.

De multinationals hebben vanuit hun eigen strategische beleidsvisie en planmatige operaties platforms in het leven geroepen om middels speciale community funds kleinschalige gemeenschapsprojecten te financieren. Op zich is dit prijzenswaardig. Echter, het moet wel duidelijk zijn dat deze benadering na zoveel jaren niet het gewenste effect sorteert. Na zoveel jaren van professionele en grootschalige goudmijnoperaties in het binnenland is de algemene maatschappelijke ontwikkeling van het binnenland te ver achtergebleven. Voorgesteld wordt dat de aanpak naar een hoger en professioneler niveau wordt getild om een versnelde en progressieve regionale transitie tot stand te brengen. Deze benadering zal ongetwijfeld een significante bijdrage leveren om de maatschappelijke betrokkenheid van de multinationals beter tot uiting te brengen.

Ettiré Patra