De nieuwe Wet Notarisambt 2019
05 Nov, 04:44
foto
Carlo Jadnanansing


Op 15 oktober 2019 is de nieuwe Wet Notarisambt 2019 (WN 2019) in werking getreden. Het gaat om een initiatiefontwerp van DNA dat gebaseerd is op een ontwerp dat was voorbereid door de Vereniging van Notarissen en Kandidaat-notarissen (VNKN). 

De belangrijkste wijzigingen van de WN 2019 ten opzichte van de WN 1963 zijn de volgende: 
1. Verhoging van het aantal notarissen van 20 naar 50
De vraag of in deze tijd nog een limitering van het aantal notarissen nodig is, blijft een heet hangijzer. Hoewel de notaris formeel een benoeming krijgt als openbaar ambtenaar, verdient hij zijn eigen geld en kan zijn beroepsuitoefening vergeleken worden met die van een vrije beroepsbeoefenaar. Ook het maximum aantal van 50 lijkt arbitrair. Het is onduidelijk waarop dit aantal is gebaseerd. Uit maatschappelijk oogpunt is het ongewenst om een kandidaat-notaris te lang te laten wachten op zijn benoeming tot notaris. Op dit moment zijn er ongeveer 23 kandidaat-notarissen, van wie 17 voldoen aan de eisen voor benoembaarheid. De aanvulling zal naar verwachting gefaseerd gebeuren, omdat een benoemingsexplosie tot ongewenste situaties zou kunnen leiden. 

2. Geen verplichte aanwezigheid van getuigen voor alle akten 
In de oude wet was voor elke akte verplicht gesteld dat deze moest worden verleden in tegenwoordigheid van twee getuigen. In de praktijk werd dit voorschrift uitgelegd als een pure formaliteit. Het enige waar opgelet werd is dat de in de akte genoemde getuigen fysiek aanwezig waren op het kantoor van de notaris op de dag van het passeren van de desbetreffende akte. 
Door het Hof van Justitie (HvJ) optredend als Tuchtcollege voor de notarissen werd daar echter heel anders over gedacht. In bepaalde gevallen waarin het ontbreken van één of meer getuigen vastgesteld werd, heeft het HvJ een tuchtrechtelijke straf opgelegd aan de desbetreffende notaris. Dit is een duidelijk verschil tussen theorie en praktijk. De tegenwoordigheid van getuigen is thans slechts in bepaalde gevallen vereist bijv. bij testamenten en wanneer de notaris dit verlangt. 

3. Geen verplichte voorlezing van de akte
In de oude wet was voorlezing van de akte verplicht gesteld. Er zijn echter maar weinig notarissen die zich in letterlijke zin aan dit voorschrift hielden. De notarissen plachten dan de inhoud van de akte aan de comparanten voor te houden. Conform deze praktijk stelt de nieuwe wet dat indien partijen daar geen prijs op stellen, de akte niet volledig wordt voorgelezen. De verschijnende personen moeten wel in de gelegenheid gesteld zijn, kennis te nemen van de inhoud van de akte. De notaris is slechts verplicht een zakelijke opgave te geven van de inhoud van de akte.
Alleen bij akten die in tegenwoordigheid van getuigen worden verleden, is steeds volledige voorlezing vereist. 

4. Tuchtrecht
Een van de belangrijkste wijzigingen betreft de tuchtrechtspraak. Deze is thans in handen van het Tuchtcollege voor het Notariaat. De tuchtrechtspraak werd vóór invoering van de nieuwe wet uitgeoefend door het HvJ, nadat een klacht was ingesteld door de PG. 
Het Tuchtcollege bestaat thans uit drie leden, onder wie twee leden van de Rechterlijke Macht en één notaris. Het voorzitterschap is in handen gelegd van een rechter. Thans is het zo dat het tuchtrecht behalve op notarissen, ook van toepassing is op kandidaat-notarissen. Notarissen en kandidaat-notarissen, die niet meer werkzaam zijn als zodanig, kunnen wel tuchtrechtelijk aangesproken worden voor laakbare handelingen die zij gepleegd hebben toen zij nog in functie waren. Echter met dien verstande dat er een verjaringstermijn geldt voor het indienen van een klacht bij het Tuchtcollege van drie jaar. Onder de oude wet was deze termijn twee jaar en dus is deze nu verruimd. 
In de oude wet was het tuchtrecht niet van toepassing op kandidaat-notarissen, maar had het HvJ wel een toetsingsbevoegdheid waardoor aan een kandidaat-notaris die als plaatsvervanger van een notaris optrad, de waarnemingsbevoegdheid kon worden ontzegd. Ten onrechte werd dit gezien als een bevoegdheid van het Hof als Tuchtcollege. In de nieuwe wet is er geen rol weggelegd voor de PG. Klachten tegen notarissen of kandidaat-notarissen moeten schriftelijk ingediend worden bij de voorzitter van het Tuchtcollege. 

De tuchtstraffen die aan een notaris kunnen worden opgelegd zijn: 
a. waarschuwing; 
b. berisping; 
c. oplegging van een geldboete van ten hoogste SRD 10.000; 
d. schorsing voor ten hoogste één jaar, en 
e. ontzetting uit zijn ambt. 
Belangrijk is ook dat van uitspraken van het Tuchtcollege hoger beroep mogelijk gemaakt is bij het HvJ. In de oude wet besliste het Hof als Tuchtcollege in eerste en enige instantie. Dit was in strijd met allerlei mensenrechtenverdragen die door Suriname zijn geratificeerd. 

5. Overgangsbepalingen (geen regeling voor lopende zaken) 
De VNKN wordt van rechtswege ontbonden en op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet van rechtswege opgevolgd door de Surinaamse Notariële Beroepsorganisatie (SNB). 
Ten aanzien van klachten die bij de inwerkingtreding van deze wet reeds zijn ingesteld bij het HvJ, maar waarvan de behandeling door het Hof nog niet heeft plaatsgevonden, kunnen door het HvJ worden overgebracht naar het Tuchtcollege. Voor de lopende zaken is er echter geen expliciete overgangsregeling gemaakt. De vraag is of uit de formulering van de overgangsbepalingen afgeleid mag worden dat lopende zaken nog door het HvJ als Tuchtcollege behandeld mogen worden. Dit vraagstuk is actueel, omdat er momenteel verscheidene tuchtzaken in behandeling zijn bij het Hof. 

Uit praktische overwegingen zouden de lopende zaken afgehandeld kunnen worden door het Hof. Echter moet beseft worden dat de WN 2019 in art. 109 expliciet stelt dat bij de inwerkingtreding van deze wet de ouwe WN is ingetrokken en derhalve geen werking meer heeft. Dit betekent dat het HvJ als Tuchtcollege geen wettelijk bestaansrecht meer heeft. Als deze redenering juist is, zou het Hof in de oude samenstelling niet meer over de lopende zaken mogen oordelen, maar deze moeten overdragen aan het nieuwe Tuchtcollege voor het Notariaat. Daarbij rijst tevens de vraag of het onderzoek door het nieuwe Tuchtcollege in de stand waarin het zich bevindt moet worden voorgezet, of dat de behandeling opnieuw moet beginnen. Dit probleem had de wetgever kunnen voorkomen door in de overgangsbepalingen duidelijk op te nemen wat met de lopende zaken moet gebeuren. 

Carlo Jadnanansing