De discussie omtrent de koppeling?
13 Sep, 02:43
foto


In het kader van het rechtsstatelijk denken moet ik u terug voeren naar de onafhankelijkheid in 1975, om een helder inzicht te verkrijgen in de problematiek. Na de onafhankelijkheid is in de Grondwet van 1975 in artikel 50 opgenomen, dat bij wet de geldelijke voorzieningen ten behoeve van ministers, onderministers e.a. zullen worden geregeld. In de Grondwet van 1987 is een soortgelijke bepaling in artikel 126 opgenomen.

Na de onafhankelijkheid heeft de toenmalige regering niet direct gevolg gegeven aan artikel 50 van de Grondwet van 1975. De toenmalige ministers kregen een schadeloosstelling op basis van een ander besluit (ik denk een missive), welke het karakter heeft van een instructie aan het bevoegde gezag.
Bij het aantreden van de zgn. 'Revo' regering na de coup van 1980, is de eerste wettelijke grondslag geregeld bij decreet (C-12) van 21 juni 1981 (S.B. 1981 no.5). Dit decreet werd meermalen aangepast. In deze decreten is de basis gelegd voor de voorzieningen van de regeringslieden.

Na de herdemocratisering in 1987, is onder leiding van President Shankar een nieuwe wet (Wet Financiële Voorzieningen Ministers en Onderministers) tot stand gekomen n.l. Wet van 23 september 1988, S.B. 1988 no. 58. In artikel 11 van deze wet werd bepaald dat al de voorgaande decreten buitenwerking gesteld worden, om de leesbaarheid te bevorderen.

Daardoor werd ook de relatie die bestond tussen de schadeloosstelling van politieke ambtsdragers o.a. ministers, met die van de departements-directeuren verbroken (ontkoppeld), bewust met de bedoeling alleen de schadeloosstelling van de ministers fors te verhogen met allerhande toelagen. Daarbij werd de bezoldiging van de Landsdienaren niet meegenomen. Deze daad van de regering zo kort na de herdemocratisering, vond de Centrale van Landsdienaren Organisaties (C.L.O.) onrechtvaardig.

Bij de eerst volgende onderhandelingen met de regering, diende op mijn instructie, de CLO in 1991 een wensenpakket in met als enige eis “terugkoppeling van de verhouding met de directeur van een departement.” In het deel-akkoord gesloten op 21 maart 1991 tussen de CLO en het onderhandelingsorgaan van de overheid, is de koppeling hersteld onder de inmiddels aangetreden regering Kraag.
In de desbetreffende resolutie van 11 december 1992 (S.B. 1992 no. 95) werden de nodige voorzieningen getroffen en de zaken vervat in het akkoord, weer rechtgetrokken.
Deze kwestie is onder leiding van Hendrik Sylvester voorzitter CLO en Hugo Blanker secretaris, met het onderhandelingsorgaan van de overheid bewerkstelligd onder mijn leiding.

Bij wet van 23 juli 1993 (S.B. 1993 no. 55) houdende nadere wijziging van de “wet van 23 september 1988 (S.B. 1988 no. 58)” werden de financiële voorzieningen van de Ministers en Onderministers en hun rechthebbenden, weer flink verruimd onder regering Venetiaan I. De formele verhouding tussen de bezoldiging van ministers en directeuren van een departement werd niet bij wet hersteld. In plaats daarvan werd een schadeloosstelling van 3 maal de bezoldiging van de departementsdirecteur per maand toegekend.

Hierna kwam de wet van 1 september 1994, houdende nadere wijziging van de “wet Financiële Voorzieningen (S.B. 1988 no. 58, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1993 no. 55). Deze wet is ook onder President Venetiaan tot stand gekomen. In deze wijziging heeft De Nationale Assemblee, naast herstel van de koppeling met de directeur van een departement, een uit de lucht gegrepen formulering ingelast in artikel 8 lid 1 van de oorspronkelijke wet 1988, luidende “voor zover deze functie werd vervuld als resultaat van gehouden algemene en geheime verkiezingen”.
Een bepaling in strijd met de Grondwet en ook gebaseerd op nepotisme. Bovendien is dit een onzin want wij houden geen geheime verkiezingen. Indien deze formulering principieel was, dan had het reeds in de wet van 1988 onder Shankar moeten worden ingebracht. Dit is een side line, maar ook actueel.

Daarna kwam regering Wijdenbosch in 1996 en in 1998 werd wederom een aparte bezoldigingsreeks gelanceerd bij Staatsbesluit (S.B. 1998 no. 66 en 67 ) uitsluitend voor de directeur en onderdirecteur. De ontkoppeling werd weer toegepast echter in een andere vorm nl. vanaf de directeur en onderdirecteur.
De ambtelijke bezoldigingsreeks werd weer verlaten en de strategische groepen werden toen geïntroduceerd.

Na de verkiezingen in mei 2000 trad regering Venetiaan II aan en werd t.r.v. 1 januari 2002 bij Staatsbesluit (S.B. 2002 no. 55 en 56) een nieuwe bezoldigingsreeks geïntroduceerd met een minimum van sf. 2.720.000,- en een maximum van sf. 3.700.000,- exclusief toelagen en de Staatsbesluiten ( S.B. 1998 no. 66 en 67) van regering Wijdenbosch werden vervangen.
Het verhaal dat door het introduceren van de zgn. strategische groepen en de nieuwe bezoldigingen het noodzakelijk was om Tjon A Hung in te schakelen voor een nieuwe functie-analyse, is een verkeerd beleidsuitgangspunt geweest en hierdoor werd het Functie Informatie systeem (Fiso) geboren.

In tegenstelling tot wat wordt beweerd, zijn het juist de zgn. Revo-ministers Frank Leeflang, Andrë Telting en Harvey Naarendorp die gezorgd hebben voor de schadeloosstelling behorende tot de waardigheid en het hoge aanzien van het ambt van minister, zonder daarbij een gepaste matiging uit het oog te verliezen. Deze ministers hebben de wet ondertekend.

Wanneer nu door de werking van het systeem, de schadeloosstelling van de ministers vrij fors moet worden aangepast, dan valt niemand iets te verwijten, maar gegeven de huidige omstandigheden is het correct van het hoofd van de regering, de President, om uit solidariteit een pas op de plaats te maken en dat kan uiteraard alleen middels een kaderwet.

Eugène van der San