Feit boven fictie
14 Mar, 09:43
foto


De opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw

In de aanloop naar Internationale Vrouwendag (8 maart jl.) hebben verschillende organisaties, ook politieke -terecht- de loftrompet geblazen voor de Surinaamse vrouw. Een enkele heeft gewezen op de opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw wat met de afkondiging van het Decreet C-11 is geschied. Omdat sommigen in de war zijn gebracht ten aanzien van de wijze waarop dit decreet is tot stand gekomen is mij verzocht een en ander nader uit de doeken te doen. Dat heb ik al min of meer uitvoerig gedaan in mijn boek De revolutie uitgegleden, in 1987 uitgekomen bij uitgeverij Jan Mets te Amsterdam.

De ontstaansgeschiedenis van het decreet C 11 staat in hoofdstuk 13 vanaf bladzijde 101 uitvoerig beschreven en iedere andere lezing die daarmee strijdig is nadert het begrip geschiedvervalsing of gaat dat zelfs overheen.
Het decreet-C11 heeft een lange weg afgelegd alvorens het het Staatsblad heeft bereikt. Vele van onze jonge politici zijn met de voorgeschiedenis niet bekend en daarom zal ik die nog even en voor de laatste maal de revue laten passeren.

Al lange tijd voor de onafhankelijkheid heeft de vrouwenbeweging geijverd voor de afschaffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw. Als enig resultaat werd geboekt dat een breed samengestelde commissie onder voorzitterschap van mr. Oosterling, eerst lid en daarna president van het Hof van Justitie, de opdracht kreeg het vraagstuk te bestuderen en met voorstellen te komen. Maar ondanks veel gestudeer bleven voorstellen uit. Toen de regering-Arron in 1972/73 aankondigde dat Suriname “niet later dan ultimo 1975” onafhankelijk zou worden, heeft een delegatie onder leiding van diezelfde Arron een bezoek gebracht aan Nederland. Daarbij is ook contact gezocht met de in Nederland verblijvende Surinamers. Men wilde namelijk ook de mening van de Surinamers in Nederland peilen.

Er werd op 25 mei 1974 een grote bijeenkomst belegd in het bekende gebouw Marcanti in Amsterdam. Alle welzijnsstichtingen die werkzaam waren voor Surinamers werden uitgenodigd een verlanglijstje in te dienen. De welzijnsstichtingen hebben mij toen aangewezen om in een toespraak de gezamenlijke wensen en verlangens aan de delegatie-Arron kenbaar te maken. Namens hen hield ik een toespraak en van die toespraak is toen een uitstekende samenvatting gemaakt door de bekende (radio-)verslaggever Roy Khemradj.

Van die bijeenkomst heeft onlangs een ieder kunnen kennisnemen, want het werd onlangs, namelijk op 24 november vorig jaar voor radio Apintie heruitgezonden. Iedereen heeft toen kunnen horen dat een van de punten van het wensenpakket was: de afschaffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw. Dit punt had ik op eigen houtje er bijgevoegd, omdat kort daarvoor mijn moeder zich bij mij beklaagde dat mijn vader haar van haar vader geërfde stuk grond al een paar jaar daarvóór bleek te hebben verkocht, zonder dat zij daarvoor toestemming had gegeven. Zelfs enig geldbedrag had zij niet ontvangen. Dit feit vormde voor mij de persoonlijke motivatie om mij in dit onderwerp te verdiepen.

Na de staatsgreep van 25 februari 1980 werd een paar weken daarna de macht door het ingrijpen van president dr. Johan Ferrier overgedragen aan de burgerregering met de arts-internist drs. Henk Chin A Sen als premier. Hij trok mij als zijn adviseur aan en de 1e taak die ik te vervullen kreeg was om na allerlei consultaties een regeringsverklaring samen te stellen. Het werd de Regeringsverklaring van 1 mei 1980, door premier Chin A Sen op die dag op het Onafhankelijkheidsplein voor- en opgedragen “aan het volk van Suriname”. In die regeringsverklaring werden “Vier Vernieuwingen” die de regering zou implementeren aan het volk gepresenteerd waarna na 2 jaar op basis van hard werken aan het realiseren van de vier vernieuwingen de in maart 1980 uitgestelde verkiezingen zouden plaatsvinden.

In die regeringsverklaring werd een Urgentieprogramma opgenomen dat ook binnen 2 jaar gerealiseerd moest worden. Hoog op de lijst in dit programma namelijk als punt 3 staat genoteerd : “De handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw wordt opgeheven. De mogelijkheid tot het verstoten van vrouwen zal tot het verleden gaan behoren”.

Door ontevredenheid onder de militairen over de vorderingen van deze eerste burgerregering na de staatsgreep - o.m. de problemen binnen het leger bleven on-aangepakt) en met het realiseren van het urgentieprogramma werd geen haast gemaakt - vond op 13 maart 1980 een grote reshuffeling van die regering plaats. Er kwam een 2e regering Chin A Sen, die nu naast premier ook de functie van president toebedeeld kreeg. De ‘vader des vaderlands’, dr. Johan Ferrier, was namelijk afgetreden. Ik trad tot deze regering toe en kreeg onder meer de portefeuille van Justitie toebedeeld.

Het zal nu na het voorgaande niemand meer behoeven te verbazen dat één van de prioriteiten die ik mij toen stelde was de uitvoering van punt 3 van het urgentieprogramma (namelijk de opheffing van de handeling onbekwaamheid van de gehuwde vrouw). Alvorens aan deze klus te beginnen heb ik de voorzitter van de commissie die al een aantal jaren met dit onderwerp bezig was gevraagd mij de stukken te overhandigen zodat ik daarop kon voortbouwen. Met letterlijk het schaamrood op de kaken moest de voorzitter mij bekennen dat ondanks dat er al 6 jaar op dit vraagstuk werd gestudeerd geen enkele voortgang was geboekt. Hij gaf mij wel een verklaring voor het gebrek aan vorderingen van de commissie, maar die wens ik voor mij te houden.

Vanwege de gevoeligheid van het onderwerp liet ik mij bijstaan door een “klankbordgroep” van welke groep in mij nog de namen herinner van mevr. mr.dr.Loembang Tobing, Roos Radhakishun, Cederburg e.a. In 3 maanden tijd was het decreet dat in de toenmaals geldende classificatie van decreten de aanduiding kreeg “Decreet C-11” gereed voor afkondiging. Maar toen ontstond er in de persoonlijke verhouding binnen de regering problemen. Die konden niet intern worden opgelost en het militair gezag, nooit door iemand anders voorgezeten dan de huidige president, werd erbij gehaald.

Het resultaat van die bemoeienis was dat ik de regering moest verlaten en pas in het boek van Sandew Hira, De getuigenis van president Desi Bouterse (2017) lees ik waarom. De klankbordgroep was toen bevreesd dat het hele decreet in de prullenbak zou verdwijnen en heeft zich ervoor beijverd dat dat niet gebeurde. En met succes : op 11 maart 1981 bereikte het decreet het Staatsblad van de republiek Suriname en was de opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de vrouw een feit! Niemand die heeft meegewerkt aan het tot stand brengen van dit toch wel gigantisch en belangrijk project heeft ooit enig blijk van waardering hiervoor ontvangen. Ook dit is een feit.

Ik wil wel hierbij aantekenen (en ook dit is een feit) dat de meeste weerstand tijdens het werken aan dit decreet (die er heus wel ook was!) nimmer van het militair gezag kwam. In die fase van de rechtsontwikkeling van Suriname was het namelijk zo dat zonder het contrasign van het militair gezag (= medeondertekening door het militair gezag) geen enkele wetgevingsproduct het Staatsblad kon bereiken! Bij een latere en andere gelegenheid zal ik aantonen dat Regeringsverklaring van 1 mei 1980 de meest vrouwvriendelijke regeringsverklaring is die zowel voor als na de onafhankelijkheid van Suriname ooit aan het volk van Suriname is gepresenteerd. Men leze bijvoorbeeld de bladzijden 12 en 13 van genoemde regeringsverklaring).

André Haakmat

Wednesday 20 June
Tuesday 19 June
Monday 18 June