Samuel Polanen – Rancune en Recht
12 Feb, 10:07
foto
(Foto: Astra Singh)


Onafhankelijkheid was kennelijk in zijn DNA. Het was 1965 toen Samuel ‘Sam’ Polanen studeerde voor tandarts in Groningen, in opdracht van zijn oom. ‘A ben seti’ zal men gedacht hebben. Een dure studie doen die voor je wordt bekostigd, je hoeft je geen zorgen te maken om financiële ondersteuning en als je klaar bent heb je een gegarandeerde baan want je kan de praktijk van je oom overnemen en het grote geld achterna gaan. Hoe veilig was dat pad niet? Echter, na een jaar stapte Sam over op een studie waar zijn hart naar uit ging: Rechten. Het was een keuze die hem niet in dank werd afgenomen door zijn oom met als gevolg een rancuneuze houding die hem nog lang zou achtervolgen.

door: Astra Singh

Sam werd geboren in 1941 en groeide op te Poptyi Dyari in Paramaribo als derde kind uit een gezin van zes jongens en twee meisjes. De dominees kinderen ontbrak het niet aan noodzakelijkheden maar ze hadden het niet breed. Op tienjarige leeftijd, toen hij in de vierde klas van de Stähelin school zat, kreeg hij de gelegenheid om voor zes maanden mee te gaan naar Nederland met een echtpaar dat bevriend was met zijn ouders. ‘Zij zouden een borstelfabriek opzetten in Suriname’ herinnerde hij zich. ‘En in die tijd werden de vergunningen in Den Haag in orde gemaakt. Die zes maanden werden uiteindelijk 23 jaar.’

Sam kwam bij een Hollands pleeggezin terecht waardoor hij de gelegenheid had om rustig door zijn lagere school en het Gymnasium te komen. Toen moest de keuze van universiteitsstudie worden gemaakt. Met een beurs uit Suriname lukte het hem om zichzelf te onderhouden en te studeren. Na de tandartsenstudie vaarwel te hebben gezegd studeerde hij door in Groningen en maakte daar zijn kandidaatsexamen Rechten af.

De drijfveer voor de studie Rechten kwam door zijn Geschiedenisleraar op de middelbare school die boeiend kon vertellen over de oude Egyptische en Griekse culturen, en specifiek in de context van hun geschiedenis en godsdienst. Dat maakte indruk op hem. Het was daarom misschien niet vreemd dat de stad Leiden trok voor verdere studie in Staatsrecht. Maar toen werd een spaak in het wiel gestoken.
De oom, die zich nog altijd zwaar in zijn eer voelde aangetast door de studie overstap van zijn neefje, was inmiddels Gevolmachtigd Minister van Suriname in Nederland geworden. Een opdracht van de Nederlandse regering om bursalen aan te pakken kwam hem als geroepen. Sam was daar het eerste slachtoffer van en zijn beurs werd ingetrokken.

Deze opdracht kwam niet zomaar. ‘Dit was de tijd van de koude oorlog. Zowel de westerse landen, onder leiding van Amerika, als de oosterse landen, onder leiding van Rusland, probeerden andere landen in hun hokje te trekken met hun ideologieën. En niet alleen landen maar ook studentenverenigingen. Je had de Non-Aligned Movement met Nasser van Egypte, Tito van Joegoslavië, Soekarno van Indonesië, Nehru van India. Die vormden het tussenblok. Een heleboel landen werden toen ook onafhankelijk. Nederland werd door Amerika gedwongen Papua Nieuw Guinea aan Indonesië af te staan. Wij hoorden dat, we zagen dat. Dus wij ontwikkelden ook onze gedachten over een onafhankelijk Suriname. ’

Sam was voorzitter van de Woudschoten commissie, een groep studenten die vooral veel confereerden. Een definiërend moment in zijn leven kwam toen zijn groep de gelegenheid kreeg om in de Eerste Kamer een vergadering van de Tweede Kamer na te bootsen. Noem het toeval: Hij kreeg daar de rol van Gevolmachtigd Minister die pleitte voor de onafhankelijkheid van Suriname. ‘Je gaat lezen en nadenken over de geschiedenis van Suriname en je afvragen waarom we nog steeds niet onafhankelijk zijn.’

Maar hoe verder zonder beurs? ‘Ik heb toen blomzakken gesjouwd voor een meelmolen. Ik heb fietsen en auto’s geteld voor Openbare Werken. Dat was om te weten hoeveel verkeer er door bepaalde straten ging. En of de verkeerslichten het deden. En dan moest ik op een hoek zitten en turven. Ik heb broodjes gebakken.’ Sam pakte allerlei jobs aan om in zijn onderhoud te kunnen voorzien.
De laatste job die hij had was bij een Javaans-Indisch restaurant Doea Koentji, als bordenwasser. ‘Het was mijn geluk want daardoor kon ik ’s avonds werken en overdag studeren. Bovendien kreeg ik daar te eten. En ik kreeg dagelijks zoveel eten mee dat het voldoende was voor mezelf, mijn vriendin en zoontje.’

Sams prestaties bleven niet onopgemerkt en gauw volgde een aanbod voor een beurs om zijn scriptie af te ronden. Dit aanbod kwam van de Nederlandse regering, via de decaan van de universiteit, op voorwaarde dat hij kon aantonen dat hij geen beurs van Suriname had. Hij kon kennelijk niet om zijn oom heen. Met behulp van het hoofd van afdeling Onderwijs, Stanley Rensch, stelde hij een keurige brief op die alleen de handtekening nodig had van de Gevolmachtigd Minister. ‘Die heeft er naar gekeken en de brief in de binnenzak van zijn colbert gestopt. Meneer Rensch kreeg de boodschap mee: Zolang ik Gevolmachtigd Minister ben komt die brief niet uit mijn zak!’

Gelukkig kon hij leven van zijn baantje als bordenwasser en maakte zijn studie af zonder verdere hulp. De drang om naar Suriname terug te keren was groot. Door rechtstreeks contact met de minister van Binnenlandse Zaken, Professor Coen Ooft, die ook in Leiden had gestudeerd, wist Sam de Gevolmachtigd Minister te omzeilen en lukte het om eind september 1974 de boot te pakken naar Barbados en van daar het vliegtuig naar Suriname.

Hij werd secretaris van de Grondwetscommissie. ‘Daar ging veel werk mee gepaard. Er waren geen boeken waaruit je kon leren hoe de onafhankelijkheid van een land wordt gerealiseerd. Je moest zelf gaan onderzoeken, met mensen praten. Het was helemaal nieuw dus je kon niemand vragen om advies.’ In die commissie zaten, onder andere, Professor Ludwig Waaldijk, Mr. Fred Ramdat Misier en voorzitter Mr. Ewald Karamat Ali. De ogen van Sam lichten op bij de herinnering. ‘Dat was een hele prettige tijd. Ik heb ervan genoten. Alle discussies. We waren 1x24 uur bezig en hebben veel geëxperimenteerd. Je moest kunnen beargumenteren wanneer je iets had gevonden en aangeven waarom je het ‘Zo’ zag en ‘Zo’ geformuleerd wilde zien. Ik heb veel kennis opgedaan. Kennis die ik na al die tijd nog steeds kan gebruiken voor wat betreft de inrichting van Suriname op Staatkundig gebied.’ Ook in 1987 en 2013 kwam deze kennis van pas toen hij werd gevraagd voor herziening van de Grondwet.

‘Tegenwoordig wordt er niet meer op die manier gewerkt,’ verzucht Sam. ‘De discussies, het ploeteren, het over en weer aanleveren van goede argumenten om uiteindelijk tot een goed product te komen waar je enthousiast over was…dat gebeurt niet meer. Er worden zoveel commissies ingesteld maar als ik naar de rapporten kijk vraag ik me af of ik niet meer goed kan lezen of een andere bril nodig heb.’

Hoe zit het met overdracht? ‘Het is heel jammer, maar ik kan nog niemand vinden die van mij overneemt. Zo iemand als Dr. Eugene Gessel zou ik moeten hebben. Hij is wel 99 jaar nu maar zo scherp als ik-weet-niet-wat. Bij hem zit ik aan de voeten van Gamaliël. Hij heeft geen titel in Staatsrecht maar onze raakvlakken zijn van dien aard dat we elkaar begrijpen en zeer prettig kunnen discussiëren. Dat soort contacten mis ik.’

Bron: Interview Behind & Know, Radio Boskopu.
Reacties: SrananBro@gmail.com

Thursday 15 November
Wednesday 14 November
Tuesday 13 November