Column: Politieke Borrelpraat 392
28 Jan, 22:44
foto
Illustratie: René Gompers


“Jongens, een rondje.”
“Wat vieren we? Eind van de maand? Moni stort?”
“Nee mang, of ja, dat ook, maar ik vier een nieuw woord als Surinaamse bijdrage voor Het Groene Boekje der Nederlandse Taal.”
“Ay, ik las het ook in de column van Ivan Kai. Hij noemt het ‘dotsonen’, naar aanleiding van die doorzichtige jokkebrokpraat van die man op NH.”
“Ik stel als juiste spelling voor: ‘dotsonnen’ met als vervoeging: ik dotson, jij dotsont, wij dotsonnen, verleden tijd: ik dotzonde, wij doodzonden en als voltooid deelwoord: de minister heeft gedotzooid, jawel, schenk maar in, nee, zonder ijs, alleen water, whoeps, gloek, gloek, ai, dat doet goed.”
”Ai meester, n’a nonsens disi yu ben leri den pikin. Is mooi met u.”
“M’o dotson’ie dalijk!”
“En zoals de voorvechters voor gelijke burgerrechten als leuze hebben: ‘we shall overcome’, vraag ik jullie: wat is onze nationale leuze?”
“Djiem wan lekkers.”
“Neks no fout.”
“Wij zijn moe.”
“Weg met Bouta.”
“Allemaal kanshebbers, maar de winnaar is:…..A No Mi. Unaniem uitgeroepen tot nationale leuze en onze gedragscode numru wan.”
“Yeah, yeah, yeah, daar drinken we op, whoeps.”
“Hé Sjaak, kijk uit mang, je hebt je glas met restant-sopi omver geslagen.”
“A no mi, n’a mi hanu.”
“Lientje, heb jij m’n dure plafondlamp laten vallen?”
“Nee mevrouw, a no mi, n’a ragebol, mevrouw.”
“Waardoor zijn die baby’s sinds eind november in AZ komen te overlijden?”
“A no mi, n’a zeldzame ziekenhuisbacterie.”
“En hoe kwamen die bacteriën in de bloedbaan van die te vroeg geboren baby’s terecht?”
“A no mi, na besmette voeding.”
“En hoe raakte die voeding besmet?”
“A no den medewerkers, na bacterie genaamd Salmonitus lariekoekus leemofojanus anomitus.”
“En hoe kon die bacterie via de ziekenhuismedewerkers in de voeding terecht komen?”
“Is zeker niet door de al tientallen jaren verwaarloosde ontsmetting van het totale ziekenhuis, nee, daardoor komt het zeker niet. Dat weten we zeker te stellen, zeker zonder onderzoek.”
“Ja, dan kom je met een buitenlandse gastarbeider zielig en meewarig op de tv doen en die slag uit broodvrees vangen voor de ware schuldigen, degenen die achter de schermen een onkundig, waardeloos en lap-lapu financieel landsbeleid voeren.”
“Ik had mijn functie als leidinggevende van dat ziekenhuis meteen neergelegd. Laat die Pengeleng-dengeleng het maar oplossen.”
“Dat kan je ook niet maken om als een rat het zinkend schip te verlaten. En die Tengelengpengeleng of hoe je hem noemt, kan er ook niet veel aan doen; hij voert net als die kronkelpraatman van NH met z’n kwik-skalians, orders uit. Hij moet durven te weigeren of af te treden.”
“Dan is het Hoeffie die dit debacle op z’n naam heeft staan.”
“Die voert ook maar orders uit, al weet hij dat die desastreuze gevolgen zullen hebben.”
“Na bijna vijftig jaar politiek in dit land te hebben gevolgd en van nabij te hebben meegemaakt, geloof ik geen enkele politicus meer. Ze rieken allen naar vlot eigenbelanggepraat en als de problemen komen, schuiven ze alles af op ja knikkende beleid uitvoerders of op hun tegenstanders.”
“Wie heeft dan die NPS-vlag verbrand? Eigenstanders of tegenstanders?”
“A no mi. En nooit hebben de wachters wat gezien.”
“In ieder geval, dit vandalisme kan niet getolereerd worden; allerlei figuren kunnen daar namelijk politieke munt uit slaan.”
“Maar als ik de hele sfeer nu analyseer: het vastlopen van alles, de opkomst van die Sapoenpartij, het overal opzetten van kernen door Oranje, en bepaalde politieke moves zoals van skatje Alice Mofo, dan zeg ik: jongens, er komt geen reshuffeling, maar een vervroegde verkiezing.”
“Is een optie, want ‘hij’ gaat die impopulaire maatregelen niet willen nemen.”
“Heren, ik ga even naar het toilet.”
“Da waarom neem je dan je polstasje mee? Vertrouw je ons niet?”
“Jakkes, sjorrie guys, sjorrie. Dat is het niet, maar dit is mijn tweede nieuwe natuur geworden, sinds mijn vrouw en ik dit tijdens de heilige mis ook doen.”
“Ga je daar tijdens de dienst met je vrouw naar het toilet?”
“Nee mang, maar sinds in de kerk tasjes verdwijnen, nemen we onze spullen mee naar voren als we in de rij gaan staan om de hostie van de pater te ontvangen.”
“Maar welke kerkganger steelt nou in de kerk het tasje van een mede-kerkganger? En kon men de dader dan niet lokaliseren?”
“Die was tijdens het hostie-ritueel in dat hele heen en weergeloop de kerk uitgegaan.”
“En wat zei de pater? A no mi?”
“Spot niet met m’n pater. Die zei dat er de laatste tijd junks de dienst komen meevolgen en die slaan dan hun slag. Dus nu loopt een ieder met handtasje en polstasje en wat voor wasje, kasje, lasje en masje ook zij, naar voren om de hostie te halen.”
“En als je moet opstaan en bidden, moet je één oog openhouden om te loeren of er geen zwervershand in je tasje gaat.”
“Er was ons toch beloofd dat we weer zoals vroeger met open deuren konden slapen?”
“Dat was belofte B-12. Ook de elf ervoor zijn in de wind ‘wekkevloken’, fly away, sweet dreams, net zoals: m’o saka a koers go na vijf.”
“Maar hoe vonden jullie Hoeffie’s toespraak op de nieuwjaarsreceptie van de VES?”
“Ik vond hem sterk, vooral toen hij het had over die staatsbedrijven die subsidie nemen, neks verantwoorden, maar flink met bedrijfsluxe en bonussen strooien.”
“Slap verwijt. Dan stop je toch per onmiddellijk de subsidie? Da wat ga je klagen daar bij de VES? Mooie winderige praatjes, maar toch wordt er niets gedaan.”
“Dat is niet zijn schuld, maar van degenen die de touwtjes in handen hebben en bang zijn om de noodzakelijke impopulaire maatregelen te nemen.”
“En wattebout de kapitalistische oppositionele krachten die elke gelegenheid te baat nemen om mijn volksregering, mijn revolutionaire volksleiders te gijzelen met hun platvloerse dreigementen dat zij de medische dienstverlening en de levering van medicamenten aan de SZF-verzekerden zullen stoppen, alleen om tientallen miljoenen van dit arme volk op te eisen?”
“Da wie heeft met z’n populistisch beleid alle jongeren en ouderen een basiszorgverzekering toegezegd, waarvan de overheid de premies niet blijkt te kunnen betalen? Zijn dat de kapitalistische zwijnen zoals jij die noemt of die proletarische dommies die maar met geld naar dat arme volk smijten om dat als stemvee zoet te houden, in plaats van die mensen op te voeden in spaarzaamheid en sociale solidariteit?”
“Pas als beleidvoerders van de hoogste tot de laagste durven te zeggen: N’a mi, is ik ben verantwoordelijk, it’s me who did this, pas dan hebben we met een volwassen beleid te maken.”
“Inderdaad, het zijn net onvolwassen pubers die de verantwoordelijkheid voor hun domme daden steeds met stoere taal uit de weg gaan of door de ene leugen of verdraaiing op de andere te stapelen of door te dokken om verantwoordelijkheid te komen afleggen, niet naar de zogenoemde ghettomensen alleen, maar naar de gehele bevolking, ook naar de middenklassers en die rijken, die ook onderdeel van deze bevolking zijn.”
“Heeft men dit niet van de oude politiek geleerd? Die richtte z’n propaganda toch ook merendeels op de sociaal zwakkeren, omdat daar de meeste en de makkelijkst te manipuleren stemmen zaten en nog steeds zitten?”
“Dat is geen excuus. De huidige regeercoalitie is toch zoveel beter dan die ouwe politiek?”
“Het zit in ons gebakken om te liegen voor de waarheid, al op school merk je dat. Vraag aan een klas wie iets heeft gedaan en niemand antwoord; iedereen dokt.””
“Maar de manier hoe de juf of meester tekeer gaat tegen leerlingen die de waarheid zeggen, stimuleert de eerlijkheid ook niet. Dan liever lieg je en dok je.”
“Komt ervan als men sinds de jaren zestig vooral de sociaal zwakkeren met gratis haring en bokking en subsidies en overheidsbaantjes heeft zoetgehouden, terwijl men de mensen stapje voor stapje moest leren om spaarzaam te zijn, meer zelf te produceren en zonder subsidies hun huishouding te draaien.”
“Klopt! Zie het voorbeeld van moeder Parmanand en het succesverhaal van haar zoon Javier.”
“Precies! Tachtig procent van de bevolking kan maar niet blijven profiteren van wat twintig procent harde werkers aan belastingen opbrengt. Leer iedereen bijdragen aan de pot: Babu, Mai, Lena en Leedert, Singotiko en Marlène, Wongfa en Wongfaantje, Baala en Balientje.”
“Nu zit men ermee: alle noodzakelijke maatregelen om onze economie weer op spoor te krijgen, gaan juist deze zoetgehouden mensen pijn doen, dus gaat men maar geld lenen om de pijnlijke maatregelen voor zich uit te schuiven.”
“Juist, dat is de kern van ons probleem, een gebrek aan saamhorigheid. Het is meer: rijk en arm zijn vijanden van elkaar; arm moet strijd leveren tegen de kapitalistische zwijnen. Dat is die stompzinnige klassenstrijd van jullie weer. Die scheurt dit land doormidden.”
“Ik verwijt niemand. Ik zeg: meki a tori bos, geen gratis dokter, geen gratis medicijnen, geen gratis verzekeringen, geen half gratis stroom en water, dan la we helemaal opnieuw beginnen. Start and reset the whole country, want zo blijven voortmodderen, tegen elkaar blijven schelden, terwijl we elkaar nodig hebben, en maar lap’lapu beleid uitvoeren, terwijl junks nu zelfs tot in de kerk stelen, nee, zo komen we er niet.”
“Daarom zei ik: zijn enige optie is: vervroegde verkiezingen. De volgende coalitie zal de rommel maar opruimen.”
“Niet zo best. Oké, een toast op ‘set’a kondre bun’. Niet alleen voeding en zoethouden, maar vooral ook opvoeding en beter leren samenwerken. Proost jongens.”

Rappa