Is prijsaanduiding H.I. in strijd met de wet?
24 Sep, 08:24
foto


Resumé: De minister van Handel en Industrie (H.I.) heeft op 19 december 2016 een bekendmaking laten uitgaan, waarbij het wettelijk verboden is om:
1. goederen, diensten en huurprijzen in vreemde valuta aan te duiden en te verhandelen;
2. maximale winstmarges te overschrijden zoals wettelijk vastgesteld, en
3. in vreemde valuta te verhandelen.
Op overtreding van deze verboden is een heel sanctiearsenaal in het vooruitzicht gesteld variërende van boetes tot sluiting van bedrijven. Deze bekendmaking heeft vooral in kringen van het bedrijfsleven voor paniek gezorgd. Mr.Dr. G. Best heeft zich over deze materie gebogen en komt na een gedegen en sterk beargumenteerde analyse tot de verrassende conclusie dat de bekendmaking van de minister niet gestoeld is op een deugdelijke wettelijke basis en daarom praktisch gezien van nul en generlei waarde is.

De schrijver van dit artikel (CRJ) heeft niet kunnen nagaan wat de praktische impact is geweest van de bekendmaking en of inderdaad opgetreden is tegen overtreders. Reacties op dit artikel worden daarom aangemoedigd.



In het zojuist verschenen nummer van het Surinaams Juristen Blad (SJB 2017 no. 2) heeft Mr.Dr. Gaetano Best een belangwekkend artikel geschreven getiteld: Over prijszetting, prijsbewaking en prijsaanduiding in SRD.
Op 19 december 2016 herinnerde het Ministerie van H.I. er in een bekendmaking aan dat het wettelijk verboden is om:
1. goederen, diensten en huurprijzen in vreemde valuta aan te duiden en te verhandelen;
2. maximale winstmarges te overschrijden zoals wettelijk vastgesteld, en
3. in vreemde valuta te verhandelen.
In de voornoemde bekendmaking kondigde het Ministerie ook aan dat er streng opgetreden zou worden tegen overtreders van deze wettelijke verboden. Er werd een heel sanctiearsenaal in het vooruitzicht gesteld variërende van intrekking van vergunningen, boetes en zelfs als ultimum remedium, sluiting van bedrijven.
De bekendmaking zorgde voor paniek in de gelederen van de ondernemers en wellicht gejuich in andere kringen. De instabiele koers van de Surinaamse Dollar (SRD) had veel bedrijven doen besluiten om hun bedrijfsvoering te baseren op en uit te drukken in vreemde valuta.
Ook had het Ministerie aangekondigd dat er een hele batterij van controleurs zou worden ingezet om streng toe te zien op de handhaving van de regels van het Prijsaanduidingsbesluit .


In zijn artikel vraagt Best zich af welke die regels precies zijn en of het daadwerkelijk zo is dat het wettelijk verboden is om goederen, diensten en huurprijzen in vreemde valuta aan te duiden en te verhandelen. De auteur zegt met zijn artikel te pogen klaarheid te brengen over de vraag wat een ondernemer nou wel en niet vermag uit hoofde van de wettelijke regeling inzake prijszetting, prijsbewaking en prijsaanduiding.

Contractsvrijheid
Best wijst erop dat een van de belangrijkste beginselen die ten grondslag liggen aan ons burgerlijk recht dat van contractsvrijheid is. Dit houdt in dat de burgers in beginsel geheel naar eigen inzicht mogen bepalen met wie en onder welke voorwaarden en met welke inhoud en waarover zij een overeenkomst willen sluiten. Dit beginsel is volgens de auteur zo fundamenteel dat ook al staat het niet in onze grondwet, het toch als een grondrecht kan worden beschouwd.

Contractsvrijheid veronderstelt echter gelijkheid van partijen, weliswaar in formele zin. In de praktijk zijn echter contractspartijen veelal niet gelijk. Er zijn economisch sterke en zwakke partijen. In gevallen waar de ongelijkheid zo sterk is dat sprake zou kunnen zijn van onrechtvaardigheid, heeft de wetgever het beginsel van contractsvrijheid los gelaten en daarvoor in de plaats regels vastgesteld die ervoor moeten zorgen dat de materiële ongelijkheid tussen partijen wordt opgeheven of gecompenseerd.

Die regels houden voornamelijk in dat de sociaal economisch zwakke partij wordt beschermd ten opzichte van de wederpartij met een machtspositie. Een dergelijke wettelijke regeling is bijv. de Wet Prijszetting en Prijsbewaking (WPP) (S.B. 1984 no. 66).

Prijszetting en prijsbewaking
Na bestudering van de WPP komt de auteur tot de conclusie dat de toelichting hierop met geen woord rept over het belang dat de wetgever daarmee probeert te beschermen. Maar het is wel duidelijk dat het gaat om bescherming van de burger tegen verkopers van goederen, verleners van diensten en verhuurders van onroerende goederen.

Hij komt tot de conclusie dat de WPP beoogt het belang van de consument te beschermen tegen ondernemers die te hoge prijzen vragen voor de goederen en diensten of de huur van onroerende goederen en daardoor ten koste van de consument woekerwinsten maken.

Delegatie van wetgevende bevoegdheid
Aangezien prijzen afhankelijk zijn van de economische conjunctuur en daardoor grote schommelingen kunnen vertonen, heeft de wetgever ervoor gekozen om geen maximumprijzen en winstmarges voor goederen, diensten en huren te noemen in de WPP. In plaats daarvan bevat de WPP een viertal delegatiebepalingen waarbij de wetgever bepaalde bevoegdheden overdraagt aan de regering en de minister. Hierdoor worden laatstgenoemden in staat gesteld zelf regelgeving te maken waarvoor De Nationale Assemblee (DNA) niet nodig is. Dit vergroot de flexibiliteit van de regelgeving.

Maar hier tegen kan ingebracht worden dat door te delegeren het legaliteitsbeginsel geweld wordt aangedaan. Immers in een rechtstaat moet het primaat van de wetgever (regering samen met DNA) prevaleren.

Met delegatie wordt bereikt dat bij staatsbesluit (regering) of beschikking (minister) voor de burgers bindende regels kunnen worden gegeven. Dit kan dus op een veel snellere en efficiëntere wijze dan een langdurige behandeling in DNA. Het uitgangspunt blijft echter dat een lagere regeling niet in strijd mag zijn met een hogere.

Een belangrijke delegatiebepaling is art. 4 WPP dat stelt dat bij of krachtens staatsbesluit regels kunnen worden gegeven teneinde te voorkomen dat bij of voor de verkoop of verhuur van goederen danwel het verlenen van diensten aan de koper, huurder, of degene aan wie diensten worden verleend bezwarende voorwaarden worden gesteld. Indien onredelijk bezwarende voorwaarden voor dienstverlening of verhuur aan de consument worden gesteld, kan de regering hiertegen optreden.

In Nederland wordt onder onredelijk bezwarend verstaan: een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat de wederpartij geheel en onvoorwaardelijk het recht ontneemt de door de gebruiker toegezegde prestatie op te eisen.
De auteur knoopt aan bij de definities die de dikke Van Dale geeft: onder prijszetting wordt verstaan: vaststelling van de prijs bij regeringsmaatregel, onafhankelijk van vraag en aanbod op de markt, terwijl prijsbewaking gedefinieerd wordt als het van overheidswege bestrijden van inflatoire prijsstijgingen.

Prijszetting en prijsbewaking zijn dus beperkende voorwaarden bij de uitoefening van de wetgevingsbevoegdheid die de wetgever aan de regering heeft gedelegeerd en die de regering op haar beurt mag subdelegeren aan de minister belast met de zorg van het handelsverkeer.
De regering mag slechts aan prijsbewaking doen in de zin dat zij maatregelen mag nemen die de controle op prijszetting en winstmarges mogelijk maken. Het Prijsaanduidingsbesluit is zo een wettelijke regeling.

Het Prijsaanduidingsbesluit

De volledige benaming van het Prijsaanduidingsbesluit luidt: Staatsbesluit van 12 februari 1998 ter uitvoering van de artikelen 5 en 17 van de WPP. Best wijst erop dat de dubbele grondslag wetgevingstechnisch onjuist is. Het staatsbesluit had alleen op artikel 5 WPP gebaseerd mogen zijn. Art. 5 maakt handhavingsambtenaren bevoegd tot het meenemen van de administratie.
Volgens Best kunnen de in art. 7 Prijsaanduidingsbesluit vervatte voorschriften alleen gelden voor goederen, diensten en huren ten aanzien waarvan door de minister bij beschikking een maximumprijs of winstmarges zijn vastgesteld. Daar de minister geen maximumprijs of winstmarges heeft vastgesteld m.b.t. diensten en huren, is het laatst gemeld artikel in ieder geval niet van toepassing op dienstverleners en huurders.

De auteur is van mening dat de regering met de uitvaardiging van art. 7 lid 1 Prijsaanduidingsbesluit verder is gegaan dan waartoe zij gerechtigd is uit hoofde van de WPP. Hierdoor kan deze bepaling beschouwd worden als gegeven te zijn door een daartoe onbevoegde entiteit.

Analoog aan het strafrecht, waar geldt dat een onbevoegd gegeven bevel straffeloos kan worden genegeerd, kan volgens Best in geval van art. 7 Prijsaanduidingsbesluit worden geredeneerd dat aan deze onbevoegd uitgevaarde bepaling verbindende kracht moet worden ontzegd. Ik (CRJ) merk op dat zulks m.i. wel door de rechter moet worden vastgesteld.

Een andere vraag die de auteur stelt is of art 7 Prijsaanduidingsbesluit in strijd is met art 9 lid 1 van de Wet Vernoeming en Herleiding van Guldensbedragen tot Dollarbedragen (WVHGD). Dit laatste artikel bepaalt dat indien een prestatie in Suriname moet worden verricht bestaande in de betaling van een geldsom, degene die deze prestatie moet verrichten steeds gerechtigd is die geldsom te voldoen in Surinaamse betaalmiddel, tenzij tussen degene die de prestatie moet verrichten en degene die de prestatie kan vorderen uitdrukkelijk anders is overeengekomen.

Dit betekent dus dat het uitgangspunt is dat partijen in het algemeen kunnen overeenkomen dat de betaling van een bepaalde prestatie in buitenlandse valuta dient plaats te vinden.
Best concludeert dat de regering niet bevoegd was om bij staatsbesluit de invoering van een algemeen gebod om prijsaanduiding in Surinaamse Dollars te doen, te gelasten.

Toch stelt hij dat een gebod om prijsaanduidingen in Surinaamse Dollar te doen best zinvol kan zijn. De vergelijkbare Nederlandse wetgeving gebaseerd op de Europese richtlijn tot consumentenbescherming bepaalt dat de prijsaanduiding van producten in Euro dient te worden uitgedrukt.
Best adviseert dat de Surinaamse wetgever er goed aan zou doen om het voorbeeld van Nederland te volgen door de reikwijdte van de WPP te beperken tot goederen of producten en de verwijzing naar diensten en huren te schrappen.
Tevens dient de considerans van de WPP aangepast te worden zodat met de wet beoogd wordt consumenten in het algemeen te beschermen.

Slotopmerkingen
Ter onderbouwing van de bedoelde bekendmaking heeft de minister verscheidene wetten aangehaald zoals de Muntwet, de Deviezen-regeling 1947, de Wet Economische Delicten (WED) en de WVHGD.
Best is van mening dat geen van de voornoemde wetten relevant is voor het onderbouwen van de bekendmaking.
Tot slot merkt de auteur op dat het verbod van verhandelen in vreemde valuta waarmee bedoeld wordt het sluiten van overeenkomsten ten behoeve van de koop en verkoop van goederen, waarbij de tegenprestatie voor de levering van goederen in vreemde valuta moet worden verricht ook onterecht is.
Bij algemene beschikkingen 2006 en 2004 van deviezencommissie is aan ingezetenen algemeen vergunning verleend om te beschikken over buitenlandse betaalmiddelen.

Gelet hierop is het volgens de auteur, in tegenstelling tot de bekendmaking van het ministerie, ingezetenen juist toegestaan in vreemde valuta te verhandelen!
Het is mij niet bekend of het ministerie reeds sanctiemaatregelen genomen heeft tegen de overtreders van de door haar uitgevaardigde verboden. Tevens is het niet bekend of over de besproken materie reeds in rechte geprocedeerd is of wordt.
Gelet op de scherpe en ongezouten, maar sterk onderbouwde kritiek die Best geleverd heeft op het ministerie van H.I. is het verwachtbaar dat een reactie van die zijde zal komen.
In ieder geval volg ik met belangstelling de ontwikkelingen op dit stuk.
Geïnteresseerden kunnen het artikel integraal lezen in het SJB 2017 no. 2.

Paramaribo, 22 september 2017.
Mr. C.R. Jadnanansing