Kantonrechter: Marktconforme koers is die van CBvS
17 Jul 2016, 14:17
foto


De kantonrechter in kort geding heeft op 21 januari 2016 een opmerkelijk vonnis gewezen tussen Rapid International N.V. (debiteur) en de Stichting Garnizoenspad (crediteur).
De Stichting Garnizoenspad had aan Rapid International N.V. een hypothecaire geldlening verstrekt die per saldo euro 65.322 bedroeg. De debiteur was wel bereid de tegenwaarde van het eurobedrag in Surinaamse dollars te voldoen.

Tussen partijen was in het geding welke tegenwaarde gehanteerd moest worden. In de akte van hypotheekstelling was opgenomen dat bij een eventuele executie, de hoegrootheid van de vordering van de crediteur bepaald zal worden op basis van de markconforme koers van de Euro ten opzichte van de Surinaamse dollar op de dag van de executie. Dit is overigens een standaardclausule die in alle hypotheekakten, waarbij een geldlening in Euro (of andere harde valuta) wordt verleend.

De formulering is door de financiers (banken en andere kredietverlenende instellingen) in overleg met het notariaat opgesteld. De achterliggende gedachte is dat met marktconforme koers bedoeld wordt de vrije markt koers.
De kantonrechter overwoog echter dat nagegaan moest worden wat partijen bedoeld hebben met de bewoordingen markconforme koers. Volgens de debiteur moet onder deze term verstaan worden de koers van de Centrale Bank van Suriname (CBvS), terwijl de crediteur van mening is dat daaronder verstaan moet worden de “vrije” markt koers.

De kantonrechter overwoog verder dat ten tijde van totstandkoming van de akte van hypotheekstelling, de gehanteerde koersen op de vrije markt min of meer gelijk waren aan de koers van de Centrale Bank van Suriname. Het komt de kantonrechter dan ook voor dat partijen met de bewoordingen van marktconforme koers bedoeld hebben de koers welke gehanteerd wordt door de Centrale Bank van Suriname.

Dat er thans een wezenlijk verschil is in de door de Centrale Bank van Suriname vastgestelde wisselkoers en de koers die op de vrije valuta markt wordt gehanteerd, ligt volgens de kantonrechter in de risicosfeer van de Stichting Garnizoenspad als schuldeiser en kan Rapid International N.V. als debiteur niet worden tegengeworpen.
De crediteur is verder van mening dat partijen nimmer zijn overeengekomen dat de tegenwaarde van het verschuldigde bedrag in Surinaamse dollar betaald moet worden.

Ook aan dit verweer gaat de kantonrechter voorbij, omdat naar zijn mening de Surinaamse dollar wettig betaalmiddel in Suriname is en een schuldenaar niet gedwongen kan worden om betalingen in vreemde valuta te voldoen.
Het vonnis van de kantonrechter heeft beroering veroorzaakt zowel in financiële kringen als in die van het notariaat. De standaardclausule zoals die hiervoor is aangegeven, is juist in het leven geroepen om het risico voor de crediteur in te dammen in die zin dat hij in staat moet zijn om met het in Surinaamse dollar ontvangen bedrag vreemde valuta te kunnen kopen op de vrije markt en daardoor geen verlies te lijden. De kantonrechter heeft echter een tegenovergestelde uitleg gegeven aan de standaardformulering en gezegd dat de Centrale Bank koers in casu van toepassing is. Hierdoor is het risico van koersschommelingen in de schoenen van de crediteur geschoven. In het onderhavige geval moest de crediteur dus meer in Surinaamse Dollar betalen voor het verkrijgen van zijn vordering in euro (Euro 65.322), dan het bedrag dat hij van de debiteur had ontvangen. Hierdoor heeft hij een forse schade geleden. Maar volgens de kantonrechter is dat zijn risico!

De vraag is wat een dergelijk vonnis betekent voor de rechtspraktijk.
Het gaat hier om een vonnis in kort geding. Dit betekent dat het een voorlopig oordeel betreft. Anders dan een vonnis in bodemprocedure gewezen, heeft een kort geding vonnis geen gezag van gewijsde. Dit betekent eenvoudig gezegd dat het geen bindende kracht heeft voor andere procedures, zelfs als het om dezelfde zaak mocht gaan.
Één van de positieve kanten van de vonnissen in het ‘Terugroeprecht drama’ is dat door de kantonrechter uitgebreid is ingegaan op het leerstuk van het gezag van gewijsde.

Toen verwezen werd naar eerdere vonnissen in kort geding tussen partijen, heeft de kantonrechter te kennen gegeven daar geen boodschap aan te hebben. De eiser moest opnieuw met alle documentatie op tafel komen teneinde de kantonrechter in de gelegenheid te stellen zich een oordeel te kunnen vormen.
Dit betekent dat het oordeel dat de kantonrechter in de onderhavige zaak heeft gegeven en waarmee velen het niet eens zullen zijn, geen richtlijn hoeft te zijn voor toekomstige soortgelijke gevallen.
Gelet op de trage rechtsgang in bodemprocedures wordt in de Surinaamse rechtspraktijk steeds gekeken naar de mogelijkheid om de vordering in kort geding te beslechten. Het moet dan wel gaan om spoedeisende gevallen die geen uitstel gedogen.

Bodemprocedures worden dus zoveel mogelijk vermeden. Deze laatste procedures hebben echter het voordeel dat ze wel gezag van gewijsde hebben, zodat in soortgelijke procedures ernaar verwezen kan worden.

Het vonnis is in extenso opgenomen in SJB 2016 nummer 1,(Kantonrechter kortgeding, 21 januari 2016) A.R. nummer 155520).

Carlo Jadnanansing